Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

211

In verband hiermede kwam voor dat ressort eene reisregeling tot stand voor Inlanders en vreemde Oosterlingen, bij ordonnantie in Stb. 1908 no. 211, goedgekeurd door den Koning, blijkens kabinetsrescript opgenomen in Stb. 1908 no. 538.

Waarom die goedkeuring noodig was is dezerzijds niet bekend.

Die verordening had veel van de in het vorig hoofdstuk besproken Atjeh-regeling, doch week daarvan tegelijkertijd aanzienlijk af. Zoo werd het reizen van Inlanders en vreemde Oosterlingen naar Djambi op gelijke wijze geregeld als zulks geschiedde voor Atjeh ; zij moesten zich dus voorzien van een bewijs van aanmelding, dat op verschillende plaatsen ter viseering moest worden aangeboden en konden de reis slechts maken met een bepaald handelsvaartuig x).

Omtrent de afgifte en viseering van deze bewijzen, mag worden verwezen naar hetgeen daaromtrent in de Atjeh-regeling is voorgeschreven.

Ook hadden Inlanders, behoorende tot de inheemsche bevolking van Djambi, voor overland reizen binnen dat gewest geen pas noodig, doch kon de resident in bijzondere gevallen hiervan afwijken door het gebruik van passen voor deze Heden toch verpHchtend te stellen.

Hier bestond dus op dezelfde wijze als in Atjeh de in andere gewesten niet aangetroffen mogelijkheid, dat de resident de verpachting tot passen gebruik voor deze Inlanders voor de bier bedoelde reizen wederom kon invoeren.

Zij, die geen passen moesten bezitten konden zich, zooals dat ook elders mogehjk was, toch daarvan voorzien, deze werden afgegeven door het Hoofd van gewestehjk of plaatselijk bestuur, door den resident aangewezen ambtenaren of hoofden, welke autoriteiten ook, wanneer zulks verlangd werd, de passen van doortrekkende reizigers afteekenden.

Voor reizen buiten het gewest, zoomede voor zeereizen, hadden ook de Inlanders behoorende tot de oorspronkelijke bevolking van Djambi een pas noodig.

Andere Inlanders dan de evengenoemden, alsmede vreemde Oosterlingen moesten zich voor reizen, hetzij overland dan wel overzee, zoowel binnen als buiten dat gewest voorzien van een pas.

In afwijking met hetgeen hieromtrent in Atjeh was bepaald,

*) Zie blz. 163.

Sluiten