Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

216

In alle andere dan boven omschreven gevallen, moesten de vreemde Oosterlingen bij hun reizen nog voorzien zijn van een pas, afgegeven door het Hoofd van gewestelijk of plaatsehjk bestuur tot wiens ressort de te bereizen streek behoorde.

Dit gold tevens in Zuid-Oost-Borneo en in het noord-oostelijk deel van den archipel voor de niet in dat gebied inheemsche Inlanders en in eerstgenoemde streek tevens in alle gevallen voor deze Inlanders en vreemde Oosterlingen, die niet gevestigd waren in de afdeelingen Bandjermasin en Oeloe Soengei.

Deze verphchting betrof in de Wester-afdeeling van Borneo alleen de niet in dat ressort gevestigde vreemde Oosterlingen, tenzij zij werkzaam waren in door het Hoofd van gewestelijk bestuur aan te wijzen bedrijven.

Behalve in Zuid-Oost-Borneo behoefden deze passen nergens meer te worden afgeteekend.

Zooals voordien, werd ook bij de onderhavige regeling een reispas verleend in het belang van land- en mijnbouw, handel of nijverheid, of ter bereiking van een ander geoorloofd doel en kon de afgifte worden geweigerd, wanneer het belang der openbare orde het tijdelijk verblijf van den aanvrager in de betrokken streek onraadzaam maakte. In Sumatra, Celebes, Bali en Lombok en in het noord-oostelijk deel van den archipel mochten zij, die bij hun reizen in het bezit moesten zijn van een pas, zonder eene bijzondere op hunnen pas te vermelden vergunning van het Hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur, tot wiens ressort de te bereizen streek behoorde, niet langer dan een maand verblijven in dezelfde afdeeling buiten de plaatsen voor reizen waarheen zij geen pas behoefden.

Voor West-Borneo ontbrak een dergelijk voorschrift, terwijl voor Zuid-Oost-Borneo ten deze de oude toestand gehandhaafd bleef, dat de houder van een pas zich nergens langer mocht ophouden dan voor het doel der reis gevorderd werd en bij de afgifte van den pas daarop was aangeteekend. Bij reizen van de genoemde gebieden — uitgezonderd Zuid-Oost-Borneo —, naar andere deelen van den archipel, moesten alle Inlanders zoowel als vreemde Oosterlingen voorzien zijn van een legitimatiekaart.

Wilden zij over zee reizen, dan moest die legitimatiekaart binnen een week vóór het vertrek, ter viseering worden aangeboden aan

Sluiten