Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IO

vier monumenten, die licht kunnen werpen op het probleem; zij zijn alle te plaatsen tusschen ± 1300—+ noo1). De boven reeds besproken passage Pap. Harris 31:6 noemt de cpwr32) naast de mrjn en srw als aan den Rê-tempel verbonden personeel. De srw en mrjn vervulden in de Thotmesannalen (Urk. IV. 665) een uitgesproken militair ambt, evenals dit (vooropgesteld dat de boven voorgeslagen aanvulling juist is) ook in ons volksverhaal het geval is. Wanneer Ramses IV zich naar den Wadi Hamamat begeeft, wordt hij begeleid door 800 cpr.w n n3pd.tjw cntjw „800 apüriü der antiüboogschutters" (L. D. III. 219!?: 17). Deze soldaten3) behooren dus tot de cntjw, een nomen gentilicium in nisbe-vorm van een vreemd volk. In den Pap. Leiden I. 348, Recto 6:6 en 349: 15 is sprake van cpwr3.w ntj hr Uk inr r t3 bhnw „apüriü, die steenen aansleepen voor den bouw van een kasteel". Behalve in den laatsten text, waar de cpwr3 als vreemdelingen (blijkens het determinatief) corvée-diensten moeten verrichten, is het wezen van hun werkzaamheid hoofdzakelijk militair4). Meer leert de aegyptische overlevering ons niet. De onzekerheid der etymologische afleiding van den naam gaf speelruimte aan de vele controversen, die over dit vraagstuk zijn ontstaan3). Met "13^ brengt wederom M. Burchardt (Fremdw. n° 252) de cpwr3 in verband; bij deze interpretatie moet het worden opgevat als „de nomaden, de rondtrekkende lieden" (opp. Jeremia 2 :6), „ein von den Kulturleuten feindlich gepragtes Wort für die unstaten Nomaden"0). In elk geval zal men den aegyptischen werkwoordstam "pj, welken A. Ember') in de discussie wil betrekken, als directe afleiding althans, wel kunnen uitschakelen. Linguïstisch zou de gelijkstelling cpwr3 = Hebraeën desnoods nog aannemelijk gemaakt kunnen worden8), doch wij blijven staan voor de car-

') Vgl. C. F. Burney, Israel's Settlement in Canaan (Schweich Lecrares. 1917), blz. 95. De troepen van de vroegere tijden tot en met Thotmes III bevatten vrijwel geen vreemde elementen (E. Meyer, Geschichte, blz. 285 en Maspero, Hist. Ancienne II, blz. 214). Het voorkomen der lpwr3 in ons verhaal is dus een anachronisme.

*) De verschillende schrijfwijzen zijn in Bijlage Hl, sub I verzameld.

s) De pd.tjw kunnen zoowel vreemde troepen, als aegyptische soldaten zijn: pdJjw fr- 3 „de boogschutters van den Pharao" (Pap. Tur. 66 : 6), en ook marinierspd.t-mnhe 3 Anast. 7:5.

*) „Le nom d'une classe d'artisans ou de soldats, aussi bien que Ie nom d un peuple", Maspero, Et. d'Arch. Myth. III, blz. 131—134.

*) Heyes, Bibel und Aegypten (1904), blz. 152 e. v.; Eerdmans, Alttestam. Studiën II, blz. 52 e. v.; H. Th. Obbink, in Theol. Tijdschr. 1909, blz. 238—258 en 1910, blz. 127—161; Böhl, Kanaanaer und HebrSer (191»), blz. 73—83; E. Peet, Egypt and the Old Testament 1922, bhs- 64—145.

«) W. Spiegelberg in O. L. Z. 1910, Kol. 618 e. v.

T) „Of great importance with reference to the Apuriu-question", A. Ember in A. Z. 51 (1913), 121.

*) Nabiru is waarschijnlijk te verklaren door habïr (-Qn)i niet aoor omdat -qj; "voorbij-gaan, langs (door) iets heen gaan" beteekent, en nooit het_ „rondtrekken, rondzwerven" der nomaden aanduidt; ï"Qy „man van de overzijde Cl3jf)" onderstelt een grondvorm Ubr (desnoods 'air) eerder dan cabïr. Vgl. verder de bespreking van Boni's Kanaanaer und HebrSer, door prof. Thierry (Museum Jan. 1913, kol. 139). — Anton Jirku, Die Wanderungen der HebrSer (Der Alte Oriënt 24 [1924],

Sluiten