Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11

dinale punten: i° hoe is tijdelijk de verhouding van den uittocht uit Egypte en de apüriü-monumenten te denken; 2° welke is de onderlinge verhouding der apüriu-tfaóiru-Hebrae'én-Isra'élieten. De o. a. door Hall voorgestane theorie, dat de exodus lang vóór Merneptah te stellen is'), beschouwt de apüriü van de aegyptische traditie als overblijfsels uit den tijd, dat de Semieten zich nog als één geheel volk in het Nijldal ophielden, dus niet als benaming voor Israël zelf, doch hoogstens voor een kleinere onderafdeeling, die als stamverwanten in het Westen achterbleven 2). Onder Merneptah, misschien reeds eerder, was Israël al in Palaestina aangekomen (Böhl); en prof. Eerdmans' theorie, dat de apüriü de vóórloopers der Israëlieten zouden zijn geweest, is op grond van de historische gegevens niet te handhaven. Het is echter geenszins noodzakelijk, bij het onderzoek naar de apüriü vast te houden aan een langdurige nederzetting van deze lieden in het Nijldal. De nauwe samenhang van de apüriü met het exodusprobleem zou alleen dan te vooronderstellen zijn, wanneer de etymologische gelijkheid apüriü-Habiru-Hebraeën waarschijnlijk mocht heeten, hetgeen allerminst het geval is. „Sprachlich unwahrscheinlich, sachlich verlockend, chronologisch unmöglich, ist die Gleichsetzung der c/^-Leute mit den Hebraern aufzugeben" (Böhl 1. c, blz. 83); en hiermede is tevens de noodwendigheid, waarmede voorheen de conclusie van die van het exodusvraagstuk afhankelijk werd gesteld, opgeheven. Een vóór-philistijnsche stam in Syrië3) kan zeer goed door een aantal zijner leden in Aegypte vertegenwoordigd geweest zijn, temeer daar hun woonplaatsen en weidevelden zich zóó nabij den grooten heirweg tusschen Aegypte en Naharina bevonden, dat de buit, door slavenjagers bij hun razzia's bijeenvergaard, menigen Syriër uit den volksstam der apüriü kan hebben bevat4). Of wij hierbij nu met arabische nomaden s) dan wel met een bepaalden zuid-syrischen stam te doen hebben, is op grond

Heft 2) houdt nog aan de gelijkstelling <pwr3 = „Hebreeër" vast, doch wijst erop, dat de Aegyptenaren eerst met dezen volksnaam kennis maakten, nadat hij door hittietische invloeden en de afwijkingen in de spijkerschrifttransscriptie reeds veel van zijn oorspronkelijke schrijfwijze had ingeboet (blz. 25 e. v.). Mij lijkt dit argument een reden temeer, om aan het verband van cpivr3 met een semietischen woordstam te twijfelen.

') Hall gaat zelfs terug tot den Hyksostijd, prof. Obbink neemt de regeeringsjaren van Amenophis III als uiterste grens aan. W. Spiegelberg, Der Aufenthalt Israels in Aegypten (1904), denkt nog aan de mogelijkheid, dat de exodus onder Merneptah plaats vond; vgl. echter dezelfde in O. L. Z. 1924, kol. 338.

*) R. Kittel (Geschichte des Volkes Israël4 I, blz. 557) wijst er op, „dass die Nachricht von den c/r-Leute nicht weiter führt als zu einer hohen Wahrscheinlichkeit und dass sie dabei immer noch nicht von Israël selbst, sondern nur von der grosseren Gruppe von Stammen redet, denen auch die Israelgeschlechter angehörten". Vgl. ibid I, blz. 478 aanm. 2. en blz. 480: „Hebraer in weiterem Sinne; sachlich, vielleicht auch sprachlich, dasselbe wie die Chabiru... Sie sind nicht die Israeliten, aber die Israeliten bezw. die Jakobssöhne gehören zu ihnen". — Evenzoo C. F. Bürney, 1. c, blz. 62 e. v.

3) W. Max. Müller in O.L.Z. 1913, kol. 258.

4) W. Wreszinski in O.L.Z. 1924, kol. 19.

5) Vgl. R. Stewart Macalister, The Philistines (Schweich Lectures. 1911), blz. 18.

Sluiten