Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12

van de gegevens niet uit te maken; en wij blijven vrij in het zoeken naar een andere woordafleiding, dan die tot nog toe werd vermoed.

Wij zagen, hoe, uitgezonderd één geval, de cfwr3 in de aegyptische texten vooral militaire diensten vervulden en vaak naast de 7«r/«-soldaten worden genoemd. Zij worden als lichtingsklassen (d3mw, Harris 26:2 en 30: 2) aan den staf van den Rê-tempel toegevoegd; en misschien kan juist dit woord d3mw een vingerwijzing zijn voor een andere interpretatie van de beteekenis van de apüriü. D3mw beteekent nl. „generatie, jongelingschap" en speciaal degenen, die den leeftijd voor den militairen dienst hebben bereikt. Het leger wordt beschreven als d3mw n.w w3s.t hwn.w nfr.w n.w mSc „de dBmw van Thebe, de jongelui, die dienst doen in het leger"'). Het is de sï-tnf „legerschrijver", die snh dBmw n nfr.w [r] dj.t rh s nb ir.t.f m mF „de recruten monstert om aan ieder zijn militaire plichten uit te leggen"*). Een papyrus uit het Middelrijk deelt mede, dat de vader van een zeker soldaat fhBw.tj) Snefru hr snw n.t dBmw „in het tweede recrutenregiment(?)" heeft gediend3). Het woord heeft dus naast den zin van „jongeling" nog de speciale beteekenis van „recruut". Nu wordt in de lijst van de door Thotmes III overwonnen noordelijke volken (Urk. IV. 783, n° 53 en 54) een volk Qpr genoemd, dat waarschijnlijk zijn woonplaatsen in de buurt van het tegenwoordige el-Afüleh had4). Die naam cftr is in de hiëroglyphische transscriptie gedetermineerd door het teeken G 80, hij werd met het begrip Srj „klein" in verband gebracht, en moet dus op den stam van *|Qp teruggaan8). Gezien de overwegend militaire beteekenis, die het woord cpwrB in de texten bezit, schijnt het mij geenszins onmogelijk, dat de Aegyptenaar den naam(?) van deze syrische huurlingen, naar analogie van den verruimden begripsinhoud van dimw, eveneens als „de recruten" heeft opgevat, zonder dat hiermede de eigenlijke beteekenis van het woord zou zijn gegeven. Is echter deze meening juist, dan moeten wij er op voorbereid zijn, dat, zooals vaak, ook hier de volksetymologie het leenwoord op het gehoor onbewust veranderd heeft. De oude gelijkstelling met den naam der Hebraeën verliest in dit geval dus haar laatste sporen van zekerheid; daarmede vervalt dus tevens de noodwendigheid om het woord als een Semitisch leenwoord te verklaren.

') Natrille, Deir-el-bahri IV. 90. Evenals in den Leidschen Papyrus de tfw3^ doen ook de d3mw corvée-diensten, el-Bersheh I pi. 15; zij heeten hier d3mw n cA3.tw „recruten"; vgl. „troep van d3mw nfr.w Urk. IV. 924.

2) Champollion, Monum. 157.

s) Griffith, Kahün Papyri, pL IX regel 2.

4) Maspero, Et. d'Arch. Mythol. V, blz. 70 en 133; vgl. Max Burchardt, Fremdw. n° 253 e. v., die ten onrechte dit determinatief de eerste maal ifr, den tweeden keer srj leest. Beide teekens zijn gelijk. Zie boven, blz. 9 noot 5*

*) W. Max Müller, Mitth. V.-Asiat Gesellsch. 1907 I, blz. 18. — Vergelijk namen als Cpr-I3r = ^K""TBJ7 (8 Anast. 1: 7), lpr-bcr = |?jÉ3""IDJf (Pap- Bologna 1094:10 en A. Z. 38 [1900], 17); deze reconstructie van het semietische voorbeeld lijkt mij juister dan de afleiding van den stam "Dy, door M. Burchardt (n° 254—256) voorgesteld.

Sluiten