Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13

Snj. De beneden (bij IV : 4) besproken constructie van m ri-pw verbiedt ons, het woord snj als substantief met tnrn en cpwr3 op één lijn te stellen. Wij moeten er dus het oude verbum IIIae infae in zien, dat, naar analogie van geminaatvormen, in het schrift zijn tweeden radicaal steeds verdubbelt (K. Sethe, Verbum I § 138 en 226). De uitgebreidere vorm snjnj leidt tot het coptische ch&em: chhihi (A. Gardiner, Noteson Sinühe, blz. 160), terwijl de oudere drie-rad icalige stam met slot-/ verwant schijnt te zijn aan den semietischen wortel >3T (A. Ember, A. Z. 51 [1913], 1 n). Behalve Bauer B 147 en Chnumhotep 171 e. v. heeft de s van het verbum nooit plaats gemaakt voor een s, daar eerstgenoemde door de calligraphie als het ware verankerd lag.

Het werkwoord laat in het Aegyptisch een dubbele constructie toe'):

i° met een lijdend voorwerp, in den zin van „voorbijgaan, overtreffen, te buiten gaan" (A. Gardiner, Notes on Sinühe, blz. 72 erf 160). Sesostris III versterkt de zuidgrenzen van Aegypte r tm dj snj sw nhsj nb „opdat geen neger die overschrijden zal" (LD. II. 136); snj.j K3S m hnty.t „op mijn tocht naar het noorden passeerde ik Küs"1); \mmc snjj „laat mij toch voorbijgaan" (Anchnes-ra-nefer-ib 52). Absoluut gebruikt heeft het eveneens de beteekenis van „voorbijgaan": hr ddw.k 3pdw r.f 'tw.f m sny „gij zoudt hem een voorbij vliegenden vogel noemen" (1 Anast. 10:4);

2° met hr in dezelfde beteekenissen: snj.k hr.w hip sn kkw „als gij, o Rê, hen voorbij zijt, dan bedekt hen duisternis" (A. Z. 38 [1900], 21); n snj hm.f hr nwJ htm.tw „de koning gaat geen stad voorbij, die haar poorten sluit" (Urk. III. 26); r tm sn.tw hrw n irr hb = fiii fitTXTiSseöxi riiv xav»iyvpiv (Canopensis, Urk. II. 139). Ook in overdrachtelijken zin verbindt snj zich met hr : sp nb snj hr msdr.k „al wat geschiedt gaat uw ooren voorbij"3), zooals Pap. Insinger 34:23 het werkwoord voor „laten passeeren, door de vingers zien" gebruikt. Een interessante vergissing beging Maspero (Et. d'Arch. Mythol. V, blz. 21) bij de interpretatie der passage pi n snj r Mzktj (1 Anast. 23:1),

■) In het Coptisch is de constructie met hr verdwenen en vindt men: i* Cme + «cfeoX, bijvoorbeeld ACJ UJAriC-IItl «ifco^Y^CH ÏUlIBIOC „wanneer hij uit dit leven scheidt" (Zoëga 7); 2° cm«c -f- object: JMTCpCCH TTGKa\ot = f«} rizpEA^; tov nxTSx trou (Genesis 18: 3).

2) L. D. II. 122 : 3 = Beni Hassan I, pl. 8B; vgl. Schiffbrüchige 9 e. v. fh.nn W3w3.t snj.nn Snmwt „na Senmet te zijn gepasseerd bereikten wij Wawat".

*) Kübanstèle regel 15. Deze zinswending is het tegenovergestelde van ck r msdr „wat het oor ingaat" (Pap. Berl. 10627 : 5; 4 Anast. 8:7); of mh midr „zijn ooren vullen met" (Koller 3:2 = 4 Anast. 3:1; vgl. 1 Anast. 20:6 en 4 Anast. 5:4). Het Demotisch kent hiervoor de uitdrukking A3' msdr r (Mythos 12:8), die in het coptische 2£lCJMt KAAAAXC (Berl. Kopt. Urk., blz. 52 : 10) haar aequivalent vindt. Wie van het gehoor beroofd is of naar vrijen wil zijn ooren voor eens anders woorden sluit, heet nhm msdr (Pap. Harris 500, Recto I. 4, 10) of «JTc\.ft..r».A<\S€ (Zoëga 286). Vgl. beneden blz. 38, noot i.

Sluiten