Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der lacune in regel 7 geweest, waartoe een zin als iw \b n pi hr n 3Ipw r ptr ti cwn.t goed zou kunnen dienen (zie regel 8). Daar wij de oorspronkelijke breedte van de eerste kolom niet kennen, bevat de grootte der lacune natuurlijk geen aanwijzing voor het vermoedelijk aantal der verloren woorden; doch de beteekenis is uit het verband gemakkelijk op te maken. Het determinatief (T 1 + N 40), waarmede de van regel 8 nog overblijvende teekenrij aanvangt, maakt de aanvulling van wn-ln pi hr n 3Ipw waarschijnlijk, waaraan Maspero nog een voorafgaand hr] tn-si nij toevoegt. De verloren naam van 's konings staf, aan het begin van regel 9 (het suffix van rn.s kan op geen ander woord dan op cwn.t terugslaan), onttrekt zich natuurlijk aan elke poging tot textherstel. Voor het begin van regel 10 veronderstelt Erman (Literatur, blz. 217): „sei so gut(?) und [bringe sie mir]". De teekenresten .. frw passen alleen voor een woord nfrw, dat „vriendelijkheid" J) beteekenen kan. Misschien \r n.j nfr.w „doe mij het genoegen"?

Hfc. Het verbum hf* beteekent letterlijk „de vuist of de hand leggen op", en wordt daarom in enkele gevallen met de praepositie hr verbonden2): hf* hf.k hr hd „uw vuist grijpt den knots" (Pyr. 731£), vgl. hf^.j mhy.t hr hnsk.t „ik grijp den noordenwind bij de lokken vast" (Doodenboek-Naville 70:2). Overwegend echter is het aantal texten, waarin het werkwoord transitief met een lijdend voorwerp wordt geconstrueerd, en dan vaak parallel aan zinverwante verba wordt gebezigd: naast ndr (Doodenb.Nav. 70: 3), naast tij = TZi (Pap. Leiden I 350. 1: 15), naaste?» (Doodenb. Pap. Nü, 89:5; Bonomi-Sharpe, pl. 16/17, reSel 18» Pyr. i2od en 1739^; en Lacau, Textes Relig. LIX: 2). Daar de oorspronkelijke beteekenis „vastgrijpen" is, moest het hierop volgende „geven, brengen" apart worden uitgedrukt: hfc.sn djJn n.f immJn „zij grijpen en geven hem hetgeen zij vastgrijpen" (Pyr. i20d). In onzen text zijn beide begrippen ineengevloeid.

Wnm.t. Zie bij 1: 5.

Nswt. Men-cheper-rê heeft hier niet den protocollairen titel van nswt bjtj „koning van Boven- en Beneden-Aegypte, doch de verkorte titulatuur, welke ook in de Abydoslijst I n° 70 en II n° 44 bij zijn naam staat. Behalve in de officieele lijsten van Abydos en Sakkara, alsmede in het rapport van Pap. Abbott, zijn de gevallen, waarin de <5/V/-titel wordt weggelaten, niet zeer talrijk3). Waar wij in de Inleiding zagen, dat onze text werd neergeschreven in de periode, die direct op de regeeringsjaren van Seti I volgt, bestaat de mogelijkheid, dat onze schrijver zich

') Vgl. coptisch TMOtipe TG = 'ApfAov (Num. 20:3), dat echter op nfry.t terug moet gaan.

2) Zie ook de woordspeling Sf.w kf'.w Ar A3f.wt nb.t (Urk. IV. 23) met den stam hf'.

3) Zoo bijvoorbeeld ëabako (L. D.V. ie; Legrain, Ann. du Serv. VII. 189), Apriës (Ann. du Serv. II. 237) en verscheidene koningsnamen der Pianchi-stèle.

Sluiten