Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i6

bij de titulatuur van den vorst heeft gehouden aan het voorbeeld der in zijn tijd nog moderne Koningslijsten.

Smj. d'Orb. 18:7: \w.tw hr sm.t r dd n „en men ging het mededeelen aan.." Het verbum smj onderscheidt zich van dd (vgl. VI: 7) door den eenigszins ofhcieelen toon van den inhoud der mededeeling. Smj.tw n.f smj nb „hem (n.1. den vizier) worden dagelijks alle rapporten voorgelegd" (Urk. IV. 1116 e. v.). H3b s"mj (substantief) is „bericht, antwoord zenden"') op een bevel (Sinühe B 204) of mededeeling (Gardiner, Admon., Verso 5), soms zonder object (Westcar 8 : 7). Een passieve kleur krijgt het woord in 1 Anast. 12:2 en 6: dd.tw n.k smj.j „men moge u inlichten over mijn reputatie", d. w. z. omtrent datgene, wat er omtrent mij wordt gerapporteerd; hier hebben wij derhalve een omzetting in het passief van de wending n smj.tn rj „niet bestaat er van u een [vijandig] rapport tegen mij" (Doodenb.-Nav. 125, slot 12). De nuanceering, die de laatste zin door het gebruik van het „vijandige" r bezit, is ook in den begripsinhoud van het verbum zelf overgegaan; dd smj.w beteekent dan „aangifte doen, een aanklacht indienen" (Pap. Judic. Tur. 4: 14 en 5 : 9); en het verbum, verbonden met den persoon als object, krijgt den zin van „aanklagen" (Gardiner, Inscr. of Mes, blz. 14)2). In onzen text heeft smj de kracht van „een militair rapport uitbrengen".

Ib.j r. De vele beteekenissen, die het woord \b heeft3), kan men naar de constructie in drie categorieën als volgt indeelen:

i° praepositie-f-i^ in vaststaande uitdrukkingen, waarin de uitgebreidere inhoud van het woord zich begint te vertoonen: irj p3-ntj m ïb „doen alwat men wil of van plan is"4), met de variant irj mj ntj m tb „overeenkomstig zijn gedachten handelen"8), of hft \b in dezelfde beteekenis (Urk. IV. 971). Het woord heeft dus den algemeenen zin van „hart (als zetel van verstand of gevoel)" gekregen6).

') 8 Anast., Verso 1:7; Pap. Bologna 1094:2:1, vgl. K. Sethe, Einsetzung des Vezirs, blz. 40, en Bauer B 38.

3) Vgl. W. Spiegelberg, Petubastis, blz. 31 noot 10, en Glossar n" 364. Evenzoo

Acta Orientalia III (1924), blz. 109. Het demotische 'n smj = AïiC-jlMMï heeft de ietwat zwakkere nuance „voorschrijven, aanwijzing geven", Pap. Insinger 11:2; Mythos 14 : 2 en I Kh. 5 : 13.

s) G. Ebers, Die Körpertheile, ihre Bedeutung und Namen im Altaegyptischen (Abhandl. Bayer. Akad. 1897), blz. 17 e. v.; A. Erman, Marchen des Pap. Westcar, blz. 64; vgl. W. Spiegelberg, Mythosglossar n° 516, sub c. Een goed voorbeeld voor de beteekenis van ïb bevat de passage \nk U wSh-lb hr ntr ivd3-\b ivd3-r3 wd3-d.t „ik ben geliefd bij den god, onbesproken van hart, van mond en van hand" (Urk. IV. 944). De ïb is hierin die zijde van het karakter, die woorden (r3) en daden (dJ) beheerscht.

4) 4 Anast. 9:4; Pap. Prisse 6:3; LD. III. 68:11; Petrie, Coptos 20a: 21; •d'Orb. 3:2 en 18:6; vgl. ook F. Vogelsang, Bauer, blz. 181.

5) Pap. Berl. 3029: 2 : 9; Siüt I. 219.

*) Zoo ook in de uitdrukking iv3w3 An' ib.f „bij zichzelf terade gaan" (Bentreststèle 23 en Cairo Stéle 560 [l8de dyn.], regel II—12), waarmede de wending Ar s3h n Ibjt n.k „krachtens den raad van uw eigen hart" (Sinühe B 182) te vergelijken is. Zoo ook dd m-h3.tj „bij zichzelf zeggen" (d'Orb. 13:6). De versterkende „dativus ethicus" in het voorlaatste voorbeeld begeleidt gaarne termen, die een gemoedsaandoening uitdrukken, ter nadere bepaling van het logische subject: ïr.f n.h p3 ntjmlb.k „hij moge handelen

Sluiten