Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26

werden aan de jachtbeschrijvingen (Assyrië, woestijnlanden, etc: Pap. Millingen 3 : 2), waarvan ook ons de monumenten berichten. Zoo is het niet te verwonderen, dat een woord als rbw = 2v.&noi, dat oorspronkelijk „leeuw" moet hebben beteekend (vgl. Griffith, Ptahhotep I, blz. 17 en el-Gebrawi I, pl. 14) in de volkstaal de benaming werd voor elk ander wild dier, gewoonlijk voor den „beer"1). Hetzelfde geldt trouwens voor het aeg.-arabisch */abwa2). De vele schrijfwijzen, die wij van mSj-ksB bezitten, toonen ons aan, dat wij met deze transscriptie oorspronkelijk twee verschillende samenstellingen wedergeven: i° m3-hs3 „grimmig kijkend" (verbum m33 „zien"), dat als adjectief het woord „leeuw" vaak begeleidt; 2° m3j ks3 „de grimmige leeuw", waarin hs3 dezelfde kracht heeft als de bovengenoemde samenstelling m3-hs3, terwijl m3j = jtvOtti het eigenlijke substantivum voor „leeuw" is, zooals uit het vaak toegevoegde determinatief E 36 of F 58 blijkt. Deze beide, oorspronkelijk gescheiden, uitdrukkingen zijn echter herhaaldelijk verwisseld, zoodat zoowel vorm 1° als vorm 2° voor „leeuw" wordt gebruikt. Het is het karakter van hém yXxvxtxuv (Ilias 20:172), het dier met de xópxs irvpciïsts (Horapollo I. 17), dat door den term [m3-]ks3 wordt wedergegeven3). Dit hs3, welks bèteekenis „betooveren" uit hs3 mw „het water bezweren" (Hirtengesch. 14) bekend is, zou als letterlijke vertaling kunnen gelden van het SfiftxTos óe*.KT>jptov róS-evftx van den griekschen tragediedichter (Aeschylus, Suppl. 1004); en volgens Aelianus (de nat. anim. 12:7) zou te Leontopolis in den Delta het QxaxxveTv van den leeuwenblik door bezweringszangen kunnen worden afgeweerd. Op een leeuwenbeeld uit den tijd van Amenophis III heet de vorst een leeuw m3j hs3 dg3.f hrw th3 mtn.f „die grimmig den vijand aanstaart4) welke zijn weg durft kruisen" (Pleyte, Chap. Suppl. I. 38). Deze beteekenis van hs3 wordt gereleveerd door begripsverwante uitdrukkingen als avoc-i Gp^-rov epoiov eireoipuj5) eppm esuooir „de leeuwen stelden zich tegenover hen

') Spiegelberg, Ree. Trav. 17 (1895), 96 en Mythosglossar n" 460; K. Sethe, Gött. Gelehrt. Anz. 1916 : 154; W. M. Müller, Ree. Trav. 9(1887), 161 enMitth. V.-As.Gesellsch. III (l9I2),blz. 68. De door Spiegelberg 1. c. medegedeelde coptische text, waar JKOVI en TVADOI naast elkaar voorkomen en dus als verschillende diersoorten worden beschouwd, heeft een goede parallel in THMATtügC 0MN.OO1T ItpiüM MHIApTC H H*>e MKIJrvOTPI H6THAHJT Kopt. Pap. Berl. 9009. VI. 8> Het ten opzichte van het leenwoord ApT betrekkelijk beperkte gebruik van 2V.&QOI schijnt ook reeds erop te wijzen, dat de beer in Aegypte niet inheemsen was (vgl. A. Wiedemann, Herod. zweites Buch, blz. 294).

2) Spitta-Bey, Contes arabes modernes (1883), blz. 157 aanm.

3) Vgl. Aeschylus, Septem 53; Suppl. 1004; Pers. 81; Sophocles, Philoct. 1146; Schol. Theocr. Idyll. io: 18 (28). _

") Voorde vergelijking dg3: m33 = (SIAUjT : hat zie K. Sethe, A.Z. 58(1923), 12. 8) Vgl. dsr-mr.tj (H. Junker, Auszug der Hathor, blz. 84)

Sluiten