Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29

phantasie, waarmee de Aegyptenaar de onherbergzame bergen aan de westzijde van het Nijldal omhulde, de schuilplaats der doodsgodin Mr.t-sgr.t die zich daar in dier-gedaante ophield. M3y m-hnw n t3 dhn.t hwj.st m hwj.t n m3j-hs3 iwJt m-i3 thB.w rJt „een leeuw bewoont dien bergtop; zij treft, zooals een grimmige leeuw treft, en zij vervolgt ieder, die tegen haar een overtreding begaat"'). Zoo woedt ook Ramses II als m3j-hs3 r èt.tjw spd \bhw mds cnt „als een leeuw tegen de Aziaten, met de tanden gereed, en met scherpe klauwen"2) (Sharpe, Inscr. II. 33^). Daar de koning als een machtige leeuw (m3j nfat3)), onbegaanbare wegen doorkruisend, zijn vijand onverhoeds bespringt, vlucht deze weg als „schichtig wild gedierte" (mj h3r.wt n.t cw.t-h3s.wt, Urk. IV. 697); mj 3bw rnpj m drw hnj „als een jonge panter temidden van uiteenstuivende kudden" (Urk. IV. 85) valt hij den vijand aan, die uiteen vlucht mj hp.wt n.t htr.w hng.n st m3j „als een menigte jonge hengsten, die een leeuw bespringt" (LD. III. 166: 3—5); en als overwinnaar blijft hij op het slagveld achter mj m3j-hs3 hr h3.t „als een leeuw bij een lijk" (Urk. II. 77). Men ziet, dat hierbij geen sprake is van formaliteit,'cliché-werk; het is een rijkdom van uitbeeldingsvormen, met groote afwisseling op een zelfde stramien geborduurd. Een Leidsche papyrus noemt Rê m3j i/i c3 hmhm.t cnbw.n.f hpr.w hr cnt.f k3 hr nw.t.f m3j hr rmt ntw.f hr knkn m sd.f r tkk iw „den geheimzinnigen leeuw4), groot aan gebrul, die vastgrijpt dengene, die zich onder zijn klauwen waagt; een stier is hij voor zijn stad en een leeuw voor zijn volk; hij geeselt met zijn staart allen, die hem als vijand durven naderen"3).

Het woord hmhm.t „krijgsgeschreeuw" behoort tot hetzelfde beeld. In het laatste voorbeeld bleek, dat hmhm.t eigenlijk het brullen van leeuwen beteekent, en den triomfkreet van den koning aanduidt, die tot in den vreemde doordringt0). Belangrijk is het, dat Urk. IV. 1008 het woord met het teeken E66 is gedetermineerd, dat, als symbool van het typhonische dier, zeer vaak bij het verbum nsn staat. Dit nSn nu drukt, evenals h°r, de woede van den leeuw uit; m3j nsn is een vaste verbinding (1 Anast. 15:2; Pap. Leiden, I. 350:V, 7 e. v.). Evenals Rê de m3j genoemd wordt, heet ook Amon c3 hmhm.t „groot aan gebrul" (Pap. Leiden, I. 350: III, 4; Pap. Rylands n° 9, 23: 1).

') Turijn, Stéle 102; zie Lanzone, Dizionario, pL 125 en A. Erman, Sitzungsb. Akad. Wiss. Berlin XLDC (1911), blz. 1098.

*) Vgl. m3j-ks3 nsn cnt „een leeuw, die verwoed is met zijn klauwen", Pap. Leiden, I. 350: V, 1 e. v.

s) LD. III. 130-4:12 en 1950; vgl. h«€ hnijk.ovi CTïtAUJT Copt. Pap. Berl. 9009. VI: 8.

4) Rê als skin st3-hr „machtige, geheim van aangezicht", Naville, Litanie du Soleil, 4 : 37 = 26 : 37 =: 36 : 37. (Deze vertalingen zijn letterlijk.)

") Pap. Leiden, I 350. III: 4 met Vertaling naar A. Gardiner, A. Z. 42 (1905), 25.

8) Geconstrueerd met m (Urk. IV. 1008), r (Urk. IV. 620; Maspero, Ét. d'Arch. Myth. IV. 197) of ht (Urk. IV. 612). De vijand is hr hmhm.t (Urk. IV. 616).

Sluiten