Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3i

„Sechmet's pest"!) een verschillende malen voorkomend beeld van ellende en smarten: wnn snd.f ht hüs.wt mj Shm.t rnp.t )3d.\t\ „de vrees voor hem achtervolgde de vreemdelingen als Sechmet in een pestjaar" (Sinühe B. 45); \b shm )3d.t kt t3 „de gemoederen zijn in opstand gekomen en pest doorkruist het land" (Gardiner, Admon. 2 : 5). In het licht van het boven behandelde is het zeer waarschijnlijk, dat de uitdrukking shm in dezen text met opzet gekozen is met het oog op Ud.t, dat bij de toehoorders van den aegyptischen moralist de gedachte aan Sechmet in het geheugen riep 2). Beneden sub 30 zullen Verschillende andere dergelijke woordspelingen met den stam shm besproken worden.

2° Symbool van het verterend vuur. Op de mythe van het zonneoog, gepersonifieerd als vuurgodin van Sehêl en Bigeh (K. Sethe, Sonnenauge § 4—7), is mede van invloed geweest de ten onrechte veronderstelde samenhang van den naam Sechmet met den verbalen stam shmm y shmm y ssmm (K. Sethe, Verbum II § 299). Zoo vinden wij reeds Pyr. Si2aó in parallelisme twr NN. \n Shm.t in Ssm.t ms.t NN. „Sechmet ontving NN. en Sesemt3) baarde hem". De vlammen, „de melk (irt.t) van Sechmet", zooals een late text ze noemt4), zijn het machtige wapen, waarmede de godin haar vijanden vernietigt; als een zengend vuur, doemt de koning zijn tegenstanders tot machteloosheid. De uraeus is de symbolische drager van zijn macht. Sechmet, de meesteres der nsr.t6), is cnk.t wnm hh wnn „de levende, die als vuur al het bestaande verteert" (H. Junker, Auszug, blz. 34; vgl. K. Sethe, Sonnenauge, blz. 20 e. v. °)). Als een vuur weerstaat de aegyptische heerscher zijn belagers (Urk. IV. 286; III. 49),

1) Vgl. LD. II. 150a en de Konosso-inscriptie regel 19 (naar de onzuivere bewerking van Bouriant, Ree. Trav. 15, [1893] 178 e. v.). Nog heden wordt in Aegypte de herinnering aan Sechmet bewaard ais aan een booze „ghüla" (Legrain, Luqsor sans les Fharaons, blz. 115). Sechmet staat als wreede leeuwgodin vaak tegenover de zachtgezinde Bastet (Junker, Auszug der Hathor, bl. 84), doch er zijn gevallen te noemen, waarin ook Sechmet haar verderfbrengend wezen verliest: Shm.t nfr.t „Sechmet is goed" (Mag. Par. Harris, Verso 2:6); htp m Shm.t (Cairo 22180:10, Ptol.), e. d.

2) Shm-lö komt zelfs naast den naam der godin in parallelisme voor: Shm.t shm.l-lb Shm ir.t li m msdd.wj „de wreede Sechmet, wier toorn allen, die bij haar gehaat zijn, overweldigt" (Urk. IV. 480).

3) ëesemt: Lacau, Ree. Trav. 24 (1902), 198 en A. Z. 51 (1913), 60 aanm.; Dahchour II, blz. 78 e. v. (M. R.); Naville, Saft el Henneh, II: 6; verder J. Hess, A. Z. 28 (1890), 8 en W. Spiegelberg, Mythosglossar n° 1060 (met literatuur).

*) Düm., Baugesch. pl. \lle, vgl. J. Krall, A. Z. 18 (1880), 134. Evenzoo heet Istar van Arbêla isaii litbusat melammê nasat „zij is met vlammen bekleed, zij draagt den vuurgloed" (Assurbanipal, Rassamcylinder, IX: 80 e. v.).

e) A. Erman, Hymnen an das Diadem, blz. 31; de nSrJ wordt reeds Pyr. 194 aan Beneden-Aegypte toegewezen.

6) Vgl. Mar. Dend. II. 28; Mag. Pap. Harris, Recto 5 :10—6 : 1; wnmJ &».... m rnJ pw n wnmy „zij verteert u in haar naam van Vreetster" (Apophisboek 25 : 3)Dezelfde rol vervult Sechmet, en in latere tijden Hathor (K. Sethe, Sonnenauge § 14) in de vervloekingsformules (G. Möller, Sitzungsber. Akad. Wiss. Berlin XLVII [1910], blz. 944 e. v.; A. Z. 33 [1895], 109).

Sluiten