Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36

aanleiding van een mat" (? Pap. Leiden 345, Verso F. 3 . 1). In deze voorbeelden is geen verschil in beteekenis met de sub 1 en 2° vermelde gevallen te onderkennen'). Naast hwj + landsnaam als object, zooals dit zoo vaak in de koningsinscnpties voorkomt, wordt het verbum in deze beteekenis ook wel met f verbonden (Urk. IV. 370). Dezelfde praepositie doet dienst bij het verwijderd object van het met een object geconstrueerde hwj om de richting der handeling aan te duiden: ntfJn nfy^n hn.w.t hwy r \wn.t „zij maakten hun waterzakken los en wierpen ze tegen den grond" (Israëlstèle 6); evenzoo in de demotische zinswending hwj r pB mi.t „iets op straat werpen" (Petub. 5: 5). Deze verbinding treffen wij aan in hwj mnj.t r „ergens het anker uitwerpen" (Schiffbr. 4; Brit. Mus. 574; vgl. A. Z. 43 I.1906J, 5), dat parallel is aan de elliptische samenstelling wdj r t3, waaraan in gedachte een woord voor „schip" moet worden toegevoegd ). Evenals hwj twee praeposities toelaat, vinden wij voor ons „op land aansturen" naast wdj r tl ook het voorzetsel hr gebezigd: Irj hr ti wr „stuur op den hoogen (?) wal aan, richt de boot naar'stuurboord (?)" (Urk. IV. 322).

Het verbum hwj is, evenals ikr, de geijkte term voor de door den koning met"zijn Arf-knots bevochten overwinningen8). In deze beteekenis staat hwj vaak naast smB'): sm3.n.f p3 sr.w VII m hdf ds.f „de koning doodde met zijn &z*-knots eigenhandig de zëven'edelen" (LD. III. 65 a, Amadastèle). Een voor ons verhaal

l) Een aparte plaats heeft de samenstelling hwnj r hr „handgemeen (Pap. MilBngen 2:2^ Amadastèle 3:75 Urk. III. 60; zie A. Gardiner ad Admon. »uV

») Voor de quaestie, of men wdj of rdj lezen moet, zie men A. Erman, Sitzungsb. Akad. Wiss. Berl. XXXIX (1912), blz. 943 e. v. Ook in vorm met f|T overstemmend! komt het verbum wdj in vele uitdrukkingen voor, waann het als het ware aldoor C" in de plaats gekomen kan worden beschouwd. Hwj-'r dekt m beteekenis ^-V (Urk. IV. 339); naast hwj-r3, dat wij als een demotischen term voor „spreken riden(kennen,3s3t^ wdj-r3Vp- T»r. 132:6 en 137:»; Hier. Demot

Char. 18:563? Verso; Abbott 7:10; Mutter und Kind, Verso 2: 7). Dat ook hier wTJt rdj wisselt, bli kt uit een vorm als djdj-r3 „de roepende" (F. Vogelsang 1. c., blz; 7d ad Bauer B 68). Tot deze reeks behoort eveneens het slechts éénmaal voorrendewdj-hr „dapper" (Sinühe, B6o = R84), waarmede kan worden

'T^Um XV. 15 :2 (Luqsor); eveneens in de inscriptie van Pylon II te Karnak uit den tijd van Ramses II <B.W.B. 89o> (beide naar eigen cop.een) Met de knote worft reeds Pepi I in Hamamat afgebeeld (LD. II. II5/), evenzoo Sesonk I ^ Karaak (LD DJ. 2T2 e. v.). Dergelijke overbekende afbeeldingen ülustreeren een LfTtm3 U n7UrSlwn0-.w „sterk is uw arm, wanneer gij met uw knots de Trogodyten ne-erslaai" (UrkV 248; vgl. Naville, Bubastis, 34 A: 5). In den strijd is de koning met knots en schild (Petrie, Tanis II, pl. IL 78:6) of nietJoiotsen zwaard (Pap. Harris 22:8) gewapend. In de plaats van den H kan ook de Shf Maspero, Ann. Serv. V, blz. 80) of de Shm treden (SonnenUUnei.7 :169, >fer verbonden). Over deze soorten van schepters zie H. Kees, Opfertanz, bis.■»45-™»De W-knots als vorstelijk insigne wordt reeds in de pyramiden verscheidene malen crpnnemd fPvr. 731 K Il66a, 1374^, 2004*). .....

BTzoo P?r 1543^-1544»; %77«»- Befie begrippen van Sm3 en hwj zijn dooreengevbeid in \w Hr-Mrtj hr ht.f hr hsk-d_3d3 n.w hftjw.k „daar » Hor-Mert, met zijn staf bezig uw vijanden te onthoofden" (Apophisboek 33.6).

Sluiten