Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37

belangrijke text1) vertaalt „slaan met den staf' met het volgende parallelisme: hwj m cö3 hrp m \33.t. Dit woord \33.t is Pyr. 866b in Meri-en-rê's variant met den hd gedetermineerd; zoowel 133.t als c63 zijn hier nog de waardigheidsteekenen van den koning zelf. In het M. R. echter is deze beteekenis van i33.t verzwakt; wanneer b.v. een heereboer zijn macht ten koste van den armen daglooner wil toonen chc.n t3.n.f n.f )33.t n.t Isr w3d r.f chc.n z3g.n.f c.t nb.t ïmJ „neemt hij een stok van groen tameriskenhout en slaat hem daarmede al zijn leden" (Bauer B 22). Hierbij denken wij onwillekeurig terug aan het boven reeds vermelde feit, dat een cwn.t als machtssymbool in de hand van een legeraanvoerder geheel misplaatst is. Het proces, dat de cwn.t bij de ontwikkeling der woordbeteekenis heeft doorgemaakt, schijnt dus tegengesteld te zijn aan dat van het woord \33.t, hetwelk oorspronkelijk den vorstenschepter aanduidde, doch na verloop van tijd elke soort van stok kon beteekenen. Het is onmogelijk, een soortgelijke begripsverzwakking ook voor cwn.t aan te nemen, daar wij geen enkelen text bezitten, waarin zij als benaming van den koningsstaf optreedt.

MS'.- Verschillende woorden, die oorspronkelijk alleen „zijkant van het hoofd" beteekenen, beperken hun inhoud later tot een bepaald deel van het aangezicht en kunnen dan door elkander worden gebruikt. Msdr „oor" is eigenlijk de kant van het hoofd, waarop men ligt (*sdr) bij het slapen3). Evenzoo is m3* aanvankelijk „zijkant" en het determinatief bepaalt de klasse, waartoe het begrip gerekend moet worden: door N 48 gevolgd, is m3F de „landzijde", de oever van een rivier (Bauer R84; Urk. IV. 57 en 1193). Voorafgegaan door een praepositie is b.v. tp-m3F „naast", in tegenwoordigheid van"3). Wij bezitten nog een derde woord: sm3, „de behaarde hoofdhuid", dat, met een praepositie verbonden, een aan tp-m3c gelijke beteekenis krijgt4). Dat sm3 eigenlijk de „behaarde hoofdhuid" beteekent, blijkt uit hnsk.t.tn m hnt.tn hnsk.t.tn tp sm3.tn hnsk.t.tn tn h3.tn „uw lokken aan uw voorhoofd, bovenop uw schedel en aan uw achterhoofd" (Pyr. 1221). Een magische text noemt naast elkaar wp.t „schedel", h.3 „achterhoofd", dhn.t „voorhoofd", sm3y „slaap" en \nhw „oogleden"8) (Mutter

•) Pyr. S666 = 1159c = 1204a = Lacau, Textes Rel. XXXIX. Het determinatief van den c63 nadert het meest tot den staf, dien de groote landeigenaren bij het inspecteeren van den arbeid dragen (El-Bersheh H, pl. 8, te reconstrueeren naar Dümichen, Oasen, pl. I) of welken de vizier gedurende de zitting van het gerechtshof in de hand houdt (Urk. IV. 1104).

*) H. Grapow, Wortbildungen mit einem Prafix *» im A egyptischen, Abhandl. Akad. Wissensch. Berlin, 1914 n° 5, blz. 31.

3) El-Bersheh, L 14; Griffilh, Siüt-Rifeh, 7 (18): 16; Sinühe, B 247 („coram"); Urk. IV. 157.

*) Geaccentueerd * êma3wlSj, of liever nog * semSuwej (CJK.A1P, K. Sethe, Verbum I § 156a en 170; A. Z. 47 [1910], 43). Dit Sm3 is misschien hetzelfde als gm3 in den Erwin Smith Papyrus (J. H. Breasted, Etudes dédiées a Champollion, blz. 406 e. v.).

5) De coptische vertaling van Jeremia 9:18 geeft rit p^i<pocfee door CAA7T weer.

Sluiten