Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

41

bewaarde oorkonde geschreven staat (Urk. IV. 662). De beteekenis „lederen riem", die ik op grond van het zinsverband, in onzen text voor dhr aannam, gaat tot in vroege tijden terug: chc.n dj.nJrpds dj m-hnw ky htm \stnw m dkr.w „zij legde het in een kist en plaatste deze in een andere, die gesloten was en ombonden met lederen riemen" (Westcar 12:4 e. v.). In de lacune van regel 1 behoeft dus geenszins een woord voor „riem" te hebben gestaan, daar dhr zelf dit begrip reeds weergeeft. Knj.- Zie beneden bij II. 5.

cn hm.t. Er is in deze zeer bedorven passage sprake van een bronzen ketting (cn hm.t), die uit vier ringen of schakels (nms.t) is vervaardigd. Het woord nms.t schijnt een hapax te zijn. Wel hooren wij van een nms.t, waarin vogels (3pdw) gevangen worden gehouden (Pap. Tur. 88: 6), doch het determinatief N 51 is afwijkend van dat van ons woord. Als ring of staaf van metaal (lood: 6 Anast. 17 : 7; goud: 8 Anast. 1 : 2) wordt het door de dienaren op den nek (hr nhb.t) vervoerd. Of moeten wij hierbij denken aan een soort van slavenring, die om den hals gedragen werd als teeken van dienstbaarheid? Een tweede mogelijkheid wordt geleverd door het materiaal, dat de spijkerschrifttexten geven voor de oud-aegyptische vocalisatie; zij zijn door H. Ranke in de Abhandl. Akad. Wiss. Berl. (1910) verzameld. In de el-Amarnabrieven is sprake van naSSi „unbekannter Gegenstand, wahrscheinlich aus Gold" (Ranke, blz. 23). Gezien nu, dat het, in het Aegyptisch zeer vaak voorkomende woord nms.t „kruik" in het Assyrisch nassa (Ranke, blz. 14) of namsa (id., blz. 13 en A. Z. 34 [1896], 165) werd getranscribeerd, is de mogelijkheid geenszins uitgesloten, dat in ndSii een ontleening aan ons nms.t „ring" schuilt. Een herleiding van nassi tot nws3, „metalen ring(?)" als gewichtseenheid1) is wegens het wegvallen der w zeer onwaarschijnlijk.

De bronzen ketens, waarover de text spreekt, zijn voetboeien2). Afgezien van een woord \t-hr.t (femin.), dat de naam van een scheepstouw is (Doodenb.-Nav. 99 : 19 = Urk. V. 207), is er geen Variant van c bekend, dat als „keten" of „boei" zou kunnen worden vertaald. De * of f van goud, die in de i8de dynastie verscheidene malen vermeld worden (Urk. IV. 38—41, vgl. 892), zijn een

') Pap. Harris 400—410:12; Lepsius, Auswahl 12:35 en R. Lepsins, Metalle in den aeg. Inschr., pl. I. 19.

*) Met ' m rd.wj „een ketting aan de voeten" mag niet verward worden '•rd.iof, dat als samenstelling één begrip aanduidt: „voetspoor" (1 Anast. 20:5; 5 Anast. 20:4; Pap. Tur. 26:3:73; vgl. LD. HL 140^:5). Deze uitdrukking behoort tot de reeks van samenstellingen, waarin c een plaats beteekent (A. Z. 37 [1899], 20 e. v. en 51 [1913], 122 e. v.) en dat met een volgenden infinitivus in genitivo geconstrueerd kan worden (K. Sethe, Verbum II § 567 b). Hm.t is een jonger woord dan bj3 en beteekent brons of koper als gebruiksmateriaal, terwijl bj3 meer stofnaam of ertsnaam is (K. Sethe, A Z. 53 [ 1917], 51). Toch vindt men uitdrukkingen als hm.t hr nb „brons [ingelegd] met goud" (Brugsch., Thesaurus 15) en wordt de prijs van een ezel bijvoorbeeld naar de <t?»-waarde van hm.t berekend (Pap. Berl. 1120, Verso 10— 11).

Sluiten