Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

59

but big children, i. e. men who although mature, retain their childlike power of learning, a power which is early lost among the lower classes in Egypt" (Griffith, Kahün, blz. 95). De leeftijd, die op den duur met het begrip Srj verbonden werd, is zeer rekbaar van grens. In den Pap. Insinger bijvoorbeeld wordt het van een kind (8 : 21), zoon (8 : 22, naast Itf) een jongeling (9 : 10) en een jongen man (9: 8) gebruikt. Het substantivum Srj „schoolgaand kind" van Pap. Insinger schijnt terug te gaan op het gebruik van het gelijkwaardig adjectivum in de volgende passage: n3 cddw Srj.w ntj m t3 c.t-sb3.t „de jongelui, die nog op school (amth&c) zijn" (Pap. Leiden I 370, Verso 1 :4, 5).

Hps. De hpS, oorspronkelijk „de arm", is geworden tot het symbool van lichamelijke kracht: livtj ph.tj- gbgb-èch.w 'twtj ftpSJt „menschen, die zwak zijn van arm en krachteloos van benedenarm, zonder sterkte" (1 Anast. 9: 3). Het woord wordt vooral gaarne gebruikt van den strijdlust des konings, die zijn mannen in het gevecht vóórgaat; en vaak is het moeilijk uit te maken, of met hpS de kracht bedoeld is, dan wel het gelijkluidende, doch anders2) gedetermineerde woord hpS, dat het sikkelzwaard van den vorst aanduidt. De troepen roepen hun leider toe )mmz n.n w3.t ch3.n m h3b.t kpS.k „wijs ons den weg en wij zullen strijden in de schaduw van uw chepeè" (Urk. III. 9). De onderdaan is knnj mj nb.zv hpsw „sterk als de heeren der kracht" (Urk. IV. 974), en de vorst zelf wordt vergeleken met p3 tbw n knkn p3 hpS n sm3 h3s.wt.f p3 ncw n.d.t „den staf om de buitenlanders te treffen, het zwaard om hen te dooden, de speer der hand" (3 Anast. 7:2 e. v.). De vijand is de buit van 's vorsten machtig zwaard (h3k.t hpS.t Urk. IV. 248) en valt door diens slagen3). Op een ostracon uit het N. R. (Cairo 25121) is de vorst afgebeeld, die een vijand dooden wil; Amon ziet toe, in de eene hand het §/i-zwaard, in de andere de teekens cw# (leven) en w3S (geluk) houdende, alsof hij den koning de keuze laat tusschen geweid en medelijden. Aan dit beeld sluit zich het beeld van onzen papyrus aan.

Sdr. Het verbum sdr „neerliggen" heeft de volgende beteekenissen:

i° „Ziek of dood neerliggen": sdr.t mr.t (d'Orb. 4:8), sdr mr m r3-c mw.t (A. Erman, Sitzungsber. Akad. Wissensch. Berl. XLIX [1911], blz. 1092) „ziek zijn en op sterven liggen"; sdr m r3-c mw.t „op sterven liggen" (d'Orb. 13: 3); sdr.w m gbg hr

•) Reeds 9 Anast. 2 —3 : hij handelt mj Uf n p3y.f hj „zooals een vader tegenover zijn zoon": evenzoo is het gebruik van Srj.t in het sprookje van den Gevloekten Prins.

a) Met het teeken T 10. Deze vorm van zwaard wordt nog heden, zoowel in Oostals in West-Afrika, aangetroffen (Dennett 1. c., blz. 76; G. Schweinfurth, lm Herzen von Afrika [1918], blz. 309, en E. A. Wallis Bndge, Osiris [1911], I, blz. 321). In Urk IV: 726 wordt een chepes van It/iw vermeld, dat krachtens het determinatief geen „flint" (J. H. Breasted, Records II § 525) kan zijn, maar een metaal aanduidt (hm.t Urk IV: 722; vgL K. Sethe, A. Z. 42 [1905], 142).

3) Sr t3 n ff/3 m hps.k „door uw kracht valt Chetaland terneder" (3 Sall. 8 : 2).

Sluiten