Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

62

de vraag, of wij hierbij niet eerder te doen hebben met slordigheid of onkunde van den schrijver.) Deze bijzondere groep omvat de texten, waarin de ellipse is opgeheven door toevoeging van een substantivum, dat „bericht, mededeeling, boodschap" enz. beteekent. De uitdrukking in quaestie is h3b émj „rapporteeren": h3b émj n p3-j \rr.k nb „houd mij op de hoogte van al uw doen en laten" (8 Anast., Verso 1:7; Pap. Bologna 1094. 2 : 1; K. Sethe, Vezir, blz. 40). Hiernaast komt echter ook constructie sub 20 voor: h3b.n.én r smj n hm.f „zij zonden om aan den vorst rapport uit te brengen" (Urk. III. 13).

Tot de onzekere gevallen waarin h3b een object heeft, behooren:

a. Pap. Tur. 129 : 10 e. v,: s*.t r h3b n.j c.tn „een brief om mij over uw gezondheidstoestand in te lichten". Groot is de kans, dat de schrijver bij het copiëeren van zijn text de praepositie hr heeft weggelaten. Immers menige brief luidt in den aanhef: Ik h3b.k n.j hr c n énb.k „licht mij toch even in omtrent den toestand uwer gezondheid" (5 Anast, 20:7). Waarschijnlijk behoort deze plaats dus tot de sub i° genoemde gevallen.

b. Urk. 111:7: chc.n hb.n hm.f n h3.tjw-c „de koning zond den nomarchen ...", waarop de aangehaalde woorden direct volgen. De oratio recta schijnt hier dus het object van het hoofdverbum te vormen. Bedenkt men echter, dat gewoonlijk de oratio recta na h3b door m-dd (Urk. III. 24) of r-dd (Cheta-verdrag 15 en in onzen text) wordt ingeleid, dan blijkt ook hier weer na emendatie dit voorbeeld tot een der „regelmatige" gevallen te kunnen worden herleid.

c. Bauer B 38 e. v.: h3b.j n.k éw hrJ „[zend mij een uwer dienaren,] en ik zal hem u met een bericht daaromtrent terugzenden". Het object éw, dat van h3b afhangt, heeft de ellipse niet opgeheven; want in dit geval viel niet een object émj weg, doch een bijstelling, als b.v. hr émj „met een boodschap", die door het volgende hr.é werd vereischt. In dezen zin heeft h3b de dubbele beteekenis van „iemand sturen" en „bericht zenden" in zich vereenigd. Van deze twee transitieve verba is alleen van het eerste het Object uitgedrukt. Het tweede staat in de onder i° besproken ellipse.

Kolom III. (8) ndm-[ïb.]k dj.t n.k 3Imn p3y.k itf nfr p3 hrw n (9) [Vr*J.w rmt.f nb.t mjt.t p3y.f (10) dmj immc )w.t rmt r lt3.w (11) m h3k mh.k pr n Itf.k ^Imn-R? nswt ntr.w (12) m hm.w hm.wt 'iw.w hrw hr rd.wj.k (13) r nhh d.t

Iw.s pw nfr hi k3 n ssw Ikr m hsj...

„Wees blijde ! Uw goede vader Amon heeft u den vorst van Joppe met al zijn onderdanen, alsmede zijn stad overgeleverd. Laat er lieden hen komen halen als buit, opdat gij den tempel van uw vader Amon-Rê, den koning der goden, kunt vullen met slaven en slavinnen, die onder uw voeten nedervallen, voor eeuwig en altoos.

Sluiten