Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

72

.' Van deze twee beteekenissen van h3w zijn de volgende voorbeelden bijzondere gevallen.

3° „familie". De beteekenis „omgeving", die h3w in de plaatsbepaling heeft, kan in enkele gevallen de speciale nuance van „gezin, familie" krijgen. Ndm-ïb.tn n3y.w t3j.j ïwy.t rswt h3w nb „verheugt u, allen die tot mijn huis behoort; weest blijde, o gij, die tot mijn gezin gerekend wordt" (3 Anast. 5 ' 3); s nb n h3wj „elk mijner familieleden" (Urk. IV. 1070; Petrie, Koptos 8: 10; bij K. Sethe, Vezir, blz. 17 de variant rmt-h3w.f); zvc nb n h3wj „elk mijner familieleden afzonderlijk" (Bilgaistèle, Verso 3; vgl. A. Gardiner, A. Z. 50 [1912], 54). Op deze beteekenis van h3w gaat ook het afgeleide substantivum mhw.t „clan" terug1).

40 „bezit". Naast h3w als „gezin", wanneer er over menschen gesproken wordt, ontwikkelt zich uit de locale grondbeteekenis van den stam het begrip „bezit", wanneer er van zaken sprake is. Een vaste formule in de briefliteratuur luidt h3w nb n nbj wd3 „al het bezit van mijn heer is in orde"2), welke ook in den kanselarijstijl haar weg gevonden heeft3). Dj [m] h3w*) beteekent „in zijn macht krijgen", en staat met ihn „over iemand te zeggen hebben" op één lijn (decreet van Amenophis 6), terwijl in de juridische papyri') ïrj h3w m de terminus technicus is voor „arresteeren".

In onzen text zijn de ntrw n h3w.f „de goden, die in zijn land en door zijn geslacht worden vereerd"; en de keuze van het woord h3w wijst erop, dat de tijd verlegd wordt in het verleden. De verteller behandelt zijn verhaal als een sprookje, de koning is een sprookjeskoning, wiens leven en godsdienst van die der „moderne" Aegyptenaren verschilt. Vandaar de algemeene uitdrukking: „hij bad tot zijn goden, welke deze dan ook geweest mogen zijn".

Wd dj.t msy n.f. Het logisch subject van mij is weggelaten en moet aan het voorafgaande s3 t3y worden ontleend. Deze ellipse komt in het Aegyptisch herhaaldelijk voor: nhm.c3.w.f i.Qk r ... f „hij ontnam hem zijn ezels en voerde [ze] naar zijn dorp" (Bauer B 24); chcJt dj.n.i r pdï dj m-hniv ky htm ïstnw m dhr „zij legde [het] in een kist, verborg [dezen] in een anderen koffer en bond [er] een riem [omheen]" (Westcar 12:4 e. v.). Vglr A. Erman, Gramm. § 500.

De vorm miy moet de onbepaalde (artikellooze) infinitivus zijn

') Sedert het M. R. (H. Grapow, Af-Bildungen, blz. 26).

*) Pap. Kahün 27:8; 28:16; 29:33; 30:26; 32:1; 33:3; 35 :35 36 = 49; 37 : 16; Pap. Berl. 10003 A. 17, e. d. *) H3w nb nb cd wd3 Urk. IV. 1106.

*) De m vóór h3w moet natuurlijk worden ingevoegd (G. Möller, Sitzungsber. Akad. Wiss. Berl. XLVH [1910], blz. 935). Niet vreemd is misschien aan deze slordigheid van den schrijver het feit, dat in latere tijden de plaatsbepaling m-h3w gewoonlijk tot h3w wordt ingekort (H. Junker, Gramm. Denderehtexten § 209 en A. Erman, Sitzungsber. Akad. Wissensch. Berl. XXI [1907], blz. 406).

") Pap. Mayer A, Verso 1 :25; Pap. Abbott 4:17; 5:18 en 6: 14.

Sluiten