Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«3

„de overwinningen, welke zijn vader Amon hem schonk, te laten vereeuwigen op een steenen muur in den tempel" (Urk. IV. 684). De nadere bepaling m inr heeft in het meerendeel der gevallen zijn kracht verloren en schijnt naar vrije keuze van den schrijver als epitheton te mogen worden toegevoegd of weggelaten.

Hi's.t. De scheiding: hBs.t = „vreemd land", smj.t= „woestijn" (A. Z. 45 [1908/9], 42 e. v.) is niet in alle gevallen door te voeren. Beide woorden hebben aanvankelijk de beteekenis van „woestijn", doch met smy.t wordt bepaaldelijk de woestijn bedoeld als plaats, waar de graven zich bevinden (H. Lange-Schafer, A. Z. 38 [1900], 109 e. v.). Trouwens, smy.t wordt nooit met alléén het woordteeken N 40 geschreven. Wanneer de titel Imj-rB smy.t IBbt.t in Beni-Hassan (II. 24) als variant alleen door genoemd teeken wordt uitgedrukt (I. 24a, 32), dan mogen wij als zeker aannemen, dat de tweede groep 'imj-rB hBs.t \Bbt.t werd uitgesproken. De identiteit van beide titels wordt door de gelijke grondbeteekenis van beiden mogelijk gemaaktHBs.t, „das das Wüstengebirge, sowie die darin liegende Todtenstadt und das dahinter liegende Ausland bezeichnet" (Mythosglossar n° 700), werd door A. Ember (A. Z. 53 85) met assyr. hursu „berg" in verband gebracht,

waarvoor zeer zeker het woordteeken, dat drie bergtoppen voorstelt, pleit. De hBs.t is het terrein der barbaren2), de woonplaats der booze geesten3) en het rijk van wilde dieren en planten {tnBtj.t hBs.t Pap. Hearst 5 : 2, zie beneden bij V: 3). De beteekenis „woestijn" blijkt uit de volgende voorbeelden. Het is vooral in de i8de dynastie, dat de edelman zich gaarne noemt: smsw nb.f hr ntw hr tB hr hBs.t „den man, die zijn heer te water, te land en in de woestijn volgt" (met varianten Urk. IV. 33, 465, 1007; Br. Mus. n° 1210); nB.n ms.w n R° m p.t... m tB... hr hBs.t \Bbt.t... hr hBi't \mnt.t... hr rs.t... hr mh.t „de kinderen van Rê in den hemel..., op aarde..., in de oostelijke en westelijke woestijn,... in het Zuiden en Noorden" (Pap. Berl. 1269, Recto 2-3). In het M. R. is hkB hBi.wt, „heerscher der woestijn", de titel van nomadensjeichs (Beni-Hassan I. 28); doch als in latere tijden Philippus Arrhidaeus de hkB kBs.wt heet, wordt hij hiermede gehuldigd als „heerscher voor alle vreemde landen"4).

Uit deze voorbeelden blijkt tevens, dat de praepositie hr in dit verband steeds wordt gebruikt.

') Vgl. r3-h3i.wt „de poort en grens der vreemde woestijnen" (Chnumhotep 162).

2) Hisjjuo hpr m rmt m f.t nb „overal zijn de bewoners der woestijn tot [beschaafde] Aegyptenaren geworden" (A. Gardiner, Admon. I : 9 = H. Lange, Sitzungsber. Akad. Wiss. Berl. XXVII [1903], blz. 603 = A. Erman, ibid XLII [1919], blz. 810).

*) c3m.t tn ij.t hr ]}3s.t nhsy.t ij.t hr mrw „O gij aziatische daemon, die uit de woestijn komt, gij uit den vreemde komende negerin!" (Mutter und Kind, D. 2:7 e. v.). In de assyrische formules richt men zich tegen de bêlit séri, die in een boot vanuit de woestijn den Euphraat oversteekt naar de bewoonde streken (Maqlü I. 50 e. v.).

*) Urk. II. 9; O. L. Z. 1923, kol. 4; de Canopensis somt achtereen op: Syrië, Phoenicië, Cyprus hnc hSS.tut wr.wt = xui t% $AAm> itMiinm r&ietn' (Urk. II. I3l).

Sluiten