Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

85

blz. 50 e. v.). In het hiëratisch') is éénzelfde cursief teeken ontstaan door samenstelling van de determinatieven, die in de hiëroglyphiek respectievelijk rsj „waken" (T 2) en tij „opstijgen" (Q 54) begeleidden. Het eigenaardig teeken, dat het verbum als determinatief in drie texten (Pap. Kahün 2:7; Pap. Ebers 37 : 5 en 39:5; Pap. Westcar 12:23) vergezelt, dankt zijn ontstaan aan het determinatief van wré „hoofdsteun" (Q 44), welks voorkomen in de amulettenlijsten een verwant begrip verraadt (Petrie, Amulets, pl. III. 34^).

Behalve de transitieve beteekenis, die tsj zoo vaak in de Pyramidentexten [ts tw „verhef u!") en latere texten2) heeft, hebben wij een mediaal-intransitief tsj in den zin van „opstijgen", waarvan onze text een voorbeeld levert en welks verschillende constructies wij hieronder laten volgen. In de meeste gevallen wordt het verbum door een praepositie gevolgd.

i° 4- r. In den Ptol.-tijd wordt tsj r gebruikt om den tocht naar Edfü aan te duiden3), en wij zullen beneden sub 30 zien, dat wij hierin eigenlijk met een uitbreiding van de absolute constructie van het verbum te maken hebben. Wie van uit het Nijldal de omstreken bereist, „stijgt op": p3 wcw m tsy.t r H3rw „de soldaat is op reis naar Syrië" (1 Sall. 7:4=2 Anast 6:7)*). De werklieden, die in ploegen de woestijn intrekken voor hun arbeid, klagen n gm.n.w hr.tJn n swr m tsj h3y.t „dat zij op hun reis naar de woestijn (tsj) en gedurende hun terugtocht naar het Nijldal (h3j) hun portie drinkwater niet kunnen vinden" (Kübanstèle 11). De letterlijke beteekenis van tsj „in verticale richting opstijgen" wordt meestal met r verbonden: Uj r hrj.t „ten hemel opstijgen" (K. Piehl, Inscr. Hiér. II. 107, Edfü; Pap. Tur. 31 -f 77); ts r wc.t mkwe.t „op een draagstoel liggend" (Griffith, Stories, blz. 132); wn-m.f hr che 3f hr ts.t r p3y.f htrw (var. ssm) „snel besteeg hij zijn wagenspan" (LD. III. 187 c-d: 38 = Champ. Monum. 23 :7, Abu-Simbel). Het is geheel in overeenstemming met de beteekenis van het verbum, dat juist deze praepositie voor gebruik in aanmerking komt.

2° + hr. De beide begrippen „opstijgen langs" en „opstijgen naar" zijn soms samengevloeid, zooals uit de twee volgende voorbeelden blijkt: ts.t.k hr w3.t „gij stijgt op langs den weg, gij gaat den weg op" (5 Anast. 6:7); ts.n.f hr wdb.w „hij besteeg de oevers" (de Morgan, Ombos II. 234, 863).

30 -f- object. Bij het mediale tsj kan vaak de praepositie door een direct object worden vervangen: ts r htrw was volgens i° „het paard, den wagen bestijgen". In een lateren bilinguen text wordt het woord voor „ruiter" hiëratisch door ts-ssm, demo-

') Vgl. G. Möller, Palaogr. n° 405 + 588 en F. L. Griffith, Hieroglyphs, blz. JI. *) *Iw.k hr t$j p3-ntj hBy „gij heft den gevallene op" (5 Anast. 15:4). 3) B.v. Louvre A 66:4 (l9de dynastie); H. Brugsch, Drei Festkalender VIL *) Dezen correcteren vorm van den infinitivus activus van een verbum III"e infae (K. Sethe, Verbum I § 396) zou men ook in onzen text verwacht hebben.

Sluiten