Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

93

lastingen in dorpen (Decreet van Harmheb 22); vaak is het niet uit te maken, of met sdmw de lagere beambten dan wel de hoogere ambtenaren (sdm-cï) bedoeld zijn: „niet confidentieele documenten (m ntj n st hbs) worden aan den vizier gebracht hnc Sfd.w s3w-lr.w hr htm n sdm.w ss.w-ir.w m-s3Jn „met de rapporten van de respectievelijke toeziende beambten onder het zegel der sdmw, en [van] de respectievelijke secretarissen" (Urk. IV. 1109). Het feit, dat hier alleen van met name niet-vertrouwelijke stukken sprake is, en de clausule, waarin de sdmw slechts één rang boven de secretarissen staan, maken het waarschijnlijk, dat deze sdmw niet een zoo belangrijken post bekleeden als de officieele jury van auditeuren (sdm-cs) in de juridische papyri. De sdm is zoowel een dienaar in dienst van particulieren ') als in dienst van den koning (sdm n pr-"3, Berl. n° 2297, Statue). In de Semneh-inscriptie uit den tijd van Amenophis III (afdruk Berlijn n° 1097, regel 10) worden in een lijst van gevangen Nubiërs ook 55 „sdm-cï van de negers" (nhsjw) opgesomd; waarbij wij zeer zeker verwisseling van idm-lï en sdm mogen aannemen. Dit is in het demotisch zelfs tot regel geworden. De hl sdm-s" is de volgdienaar (I Kh. 5:1; Petub. 4: 2), die zijn meesteres begeleidt, en voor het in orde brengen van de maaltijden zorgt (p3j \r.f rAw.f ir n3 hr3.t Mythos 17 : 26).

Onze text houdt nog vast aan de aanvankelijke scheiding van beide begrippen.

R-gs. Zie bij IV: 4.

3Ih. De gesubstantiveerde relatieve zin p3 ntj hr sint vervangt het nomen, dat gewoonlijk th begeleidt. 3Ih s3w ntj hr rmn.k „welke is wel de hoeveelheid, die gij op uw schouders torst f" (d'Orb. 3 : 2). Het gebruik van hr -\- infinitivus in een nominalen zin (A. Erman, N.-Aeg. Gramm. § 388, 390; K. Sethe, Verbum II § 568 sub i°) keert beneden VII: 8 terug; evenzoo is hr gebruikt in Ir p3-ntj ïw.f hr md m p3ï ss „elkeen, die uit dit geschrift voorleest" (d'Orb. 19 : 9).

Wc n mj-kd. De term mj-kd, moet op grond van de praepositie n, als afgeleid nomen worden opgevat, lett.: „een van zijns-gelijkheid", als verkorte uitdrukking voor het meer gewone wc [ntj] mj-èd.f. Men vergelijke de volgende voorbeelden: p3 ntj mj-kd.k „uws gelijke" (9 Anast. 18); bn sw mj-kdj „dat (sw = it) gaat mijn macht te boven" (Pap. Bologna 1094. 6:8); kn.w mj-kd.k „vele menschen, die zijn zooals gij" (5 Anast. 17 :6); tw.j s.t-hm.t mj-kd.t „ik ben een vrouw evenals gij" (d'Orb. 10:2); bn ) Irj mj-kdJi „ik handel anders dan gij" (1 Anast. 8 : 2). De samenstelling mj-kd, tot nomen geworden, vindt men in: n wn m t3 mj-kd.s „haars gelijke bestaat niet op aarde" (Mar. Dend. I. 37£ en II. 77 a). In dit laatste geval kan de uitdrukking mj-kd van een pluralisteeken voorzien worden en absoluut staan: dj.y n.j

') Brief Mus. Cairo, G. Möller, Hier. Lesest, Hl. 8:2, vgl. A. Z. 19 (1881), 119 (Maspero) en O.L.Z. 1900: 121 e. v. (W. Max Muller).

Sluiten