Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H3

Shrw. De uitdrukking m p3 shrw n.t hrw nb (Westcar 3:1; Pap. d'Orb. 1:5, 4:8) is een vaste formule van verhaaltrant geworden en kan naar vrije verkiezing worden ingeschoven. Ékrw beteekent „toestand": hpr tn pi shrw bjn ntj itn.f „tot de huidige slechte omstandigheden geraken" (Pap. Leiden I 371 : 2; vgl. Acta Orientalia III [1924], blz. 109 e. v.); voorts „manier van doen": m shrw n ihwtj, „op boersche wijze" (ibid. 19), tn shrw n rmt „zooals iedereen dat doet" (ibid. 31), m pij.j shrw „zooals ik dat gewoon ben" (ibid. 22). De appositie n.t hrw nb, var. tnw hrw, „cotidianus" (hier, en VI: 3) is een onnoodige versterking van het begrip. De variant te Karnak van hrw nb (3 Sall. 8 : 8) luidt tnw hrw als temporeel adverbium, vgl. tnw Ibd nb.t = %xS" Ixeurrov yüüivx (Canopensis, Urk. II. 137), waarbij dus beide adjectiva vereenigd zijn. Tnw wisselt in deze beteekenis af met den langeren vorm r-tnw, dat ook een verbale constructie met sdmfvorm kan regeeren (K. Sethe, Verbum II, §§isim, 165h)7 htr r-tnw rnp.t „jaarlijksche belasting" (Urk. IV 331); r-tnw p 'rj.j „telkens als ik uitga" (4 Anast. 12: 12 = 5 Anast. \a); m33 R tnw hcc.f „om Rê te zien telkens als hij opgaat" (Stéle Weenen n° 55)*

Snj hr. Zie bij 1:5.

Wn-in.sn. Zie bij IV: 13, V: 8 en 14, VIII .-4. Men vergelijke nog 3 Sall. 7:6, 9:5.

gnn. De beleefdheid bracht mede, dat men den pas aangekomen gast eerst van al het noodige voorzag, voordat men hem naar herkomst of doel van zijn reis ondervroeg. Zelfs wanneer de pas aangekomene zich van de vermoeienissen had hersteld, bracht men de vraag naar zijn plannen als terloops (m shrw n sdd, regel 10) ter sprake. De etiquette vereischte, dat hem water op de handen werd uitgegoten bij zijn binnentreden (dj mw r [of hr] rf./Pap. d'Orb. 4:9; Pap. Berl. 10627 : i2); daarna volgde baden (wcb), zalven (sgnn) en verstrekken van voedsel aan man en rijdier (ckw en wnmw zie bij 1:5): pij.j sgnn m-mjt.t p3j.j ckw m-mjt.t pSj.j hbsw mtw.tw )n.tw.f n.j „mijn zalf, voedsel en kleederen werden mij gebracht" (Pap. Leiden 1371:23 e. v.). Wcb en sgnn is als het ware tot één begrip versmolten (vgl. 4 Anast. 16:3 = 3 Anast. 8 : 4).

Het verbum causativum s.gnn beteekent „verzwakken, verzachten, soepel maken"') (vypov ètoiïov); het wordt Pap. Ebers 82: 1 van de gewrichten (r3-c.t), Pap. Hearst 15:11 van het vaatstelsel (mw.t, vgl. Pleyte, Etude sur un rouleau magique [1869], blz. 86) gebruikt. Dj.t gnn e.t „de leden doen verslappen" is een vijandelijke daad van den magiër (Mag. Pap. Harris, Verso 2:7; Pap. Rollin 1). In een gebed tot den Zonnegod heet het: kmB.k nfr hr s.gnn d.t... i.bdi c.wj „uw schoone gestalte verslapt de handen en maakt de

') yg1- E- Chassinat, Etudes dédiées a Champollion, blz. 457. De Pap. Insinger gebruikt het woord in overdrachtelijken zin: „zachtmoedigheid" (5 : 1, 22 : 8, 33 s 13, 33 1 12)-

8

Sluiten