Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

119

'iwcy.tp3pr-3 „officier van de koninklijke infanterie" (M. Mögensen, Stéles ég. du Musée de Copenhague 26). Zij worden dan ook vaak naast de wcw genoemd (3 Sall. 2:2 en 8 :6, vgl. A. Z. 52 [1914], 118). Een hooge rang was snnj waarschijnlijk niet. Pap. Leiden I 371: 15 wordt gesproken van het onderwijs, dat de snn n p3 ms* n pr-c3 nog moet volgen, en de snnj kon als „oppasser" aan den staf van dienaren worden toegevoegd: p3 snnj c.t n nntw Nrt „de officier, verbonden aan de kamer (?) van Neith's dwerg" (Hiërat. Stéle te Cairo, edid. W. Spiegelberg, A. Z. 56 [1920], 60). Evenals dit het geval was bij het woord \wzy.t (1: 2), wordt ook aan snnj dikwijls de nadere bepaling „van den koning van Aegypte" toegevoegd: snnj n hm.f (Ree. Trav. 7 f1886], 138; Berl. Stéle 14994 = A. Z. 2 [1864], 115; en in het graf van Neferhotep te Thebe, B. W. B. < 1760». Met den snnj n p3 n Km.t kunnen de snn.w n.w TB-mrj (1 Anast. 23 : 5) worden vergeleken.

sIrj hm.t. Zie bij V: 6.

Msdd. Daar de infin. mascul. nooit een grammaticalen uitgang heeft, moet het teeken Z 5 den laatsten radicaal van het verbum voorstellen. Meer voorbeelden te vinden bij K. Sethe, Verbum II § 593.

W*r r-hï.t. Het verbum wcr *) is een dier woorden, waarvan de stam waarschijnlijk tot den oud-hamietischen taalschat behoort; het beteekent oorspronkelijk „afscheiden". Hausa: ware „scheiden", door polariteit wari „een paar"; Schilh: wurri „omkeeren"; Bedawi: wöri, wër „een ander"; Masai: are „twee"; Bari: ori = Ba'ntu: valt „twee" (vgl. C. Meinhoff, Sprachen der Hamiten, blz. 240); Nubisch: wart, wir „ver" (R. Lepsius, Gramm., blz. 410; L. Reinisch, Nubasprache II, blz. 184), e. d. Het aegyptische wcr wisselt in beteekenis met rwj of rwtj (W. Spiegelberg, A. Z. 43 [1906], 159 ad Pap. Harris 75 : 2 e. v.); beide kunnen overdrachtelijk worden gebruikt*). Behalve de gewone beteekenis van „in den steek laten" (3 Anast 6:2 = 4 Anast. 10: I; d'Orb. 6:3; 1 Sall. 6:8=5 Anast. 17:2; 4 Anast. 2:4; Urk. V. 181 = Doodenb. 99 Inl. enz.) en „wegvluchten over de grenzen" (Sinühe B 149; 3 Sall. 7:3; Israëlstèle 6; Urk. III. 12, 130; Cheta-verdrag 23, 32 en 34 enz.), heeft wcr nog eenige bijzondere nuancen: n h3h-r3 Sw m wcr „niet oppervlakkig is degeen, die niet vluchtig is" (Bauer B 208); im wcr \b-sn „laten zij niet afgeschrikt worden" (Tombeau de Séti I: IV. 15 : S)3)i wzr-\n hrdw pn tp c.wj.sï „dit kind werd geboren en door haar in de armen opgevangen" (Pap. Westcar 10: 9, 17 en 24). Het verbum wcr kenschetst hier de snelheid der geboorte en

') Het nomen komt bij VI: 9 ter sprake.

*) Rwj overdrachtelijk (-f- hr) = „zich onttrekken aan zijn plicht" (Pap. Bologna 1086:8).

s) IV'r-ti als ziekte (insufficientia cordis ?) Pap. Ebers 47: 7.

Sluiten