Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130

M t? wnw.t, ïit€v«oit: vgl. F. L. Griffith, Stories, blz. 95 en 112.

Sm:?. De schrijfwijzen smB en sBtn (naar K. Sethe, Verbum I, § 87) wisselen in den loop der tijden. Zonder zichtbare grammaticale reden komt, reeds in Pyr. P en M, de vorm sBm in de plaats van het oorspronkelijke smB voor. Sedert het Middelrijk gebruiken de hiëratische texten bij voorkeur sBtn, terwijl de hiëroglyphiek aan het oudere smB vasthoudt. In de periode der igde tot 20ste dynastie dringt sBm ook in hiëroglyphische texten door, terwijl de grieksch-romeinsche tijd weer tot den ouden vorm smB terugkeert.

M hBvr hr. Het nomen hBw, direct door een substantivum gevolgd, beteekent '„het meerendeel van" (A. Gardiner, Admon., blz. 41); dit substantivum kan dan door een aansluitenden, relatieven zin worden vervangen: m hBw wn.t m-bBh „meer dan" (Urk. IV: 745, 204; K. Sethe, Verbum II, § 750). Het nomen hBw-hr „het meerdere van" (vgl. hBw hr hBw n, Urk. IV: 182, en Inscr. dédic. d'Abydos 57) kan als object met een verbum worden verbonden: m ir hBw'hr tnd.tw „doe niet meer, dan gezegd wordt" (Pap. Prisse 7:9, vgl. Urk. IV: 888); dd.w hBw-hr tnd.tw n.f hr nb.f „hij die meer doet, dan wat hem door zijn heer is bevolen" (Pap. Prisse 19: 5, vgl. Berl. 7262, N. R.); dj.j hBw hr \ry.t dr-bBh „ik overtref nog alles, wat vroeger tot stand werd gebracht" (Urk. IV. 350). Deze voorbeelden vertoonen hBw nog in zijn oorspronkelijke beteekenis'), lett. „iets meer leggen op (hr)": tn hBw hr hsf tn swB \t „met een verzwaring van de straf, n.1. het afhouwen2) van een der ledematen" (Urk. IV. 1108). De samenstelling m hBw hr „als vermeerdering op" slijt af tot één adverbiale uitdrukking, zooals deze in onzen text wordt gebruikt in den zin van „meer dan": tn hBw hr Ir.t.n Itf „meer dan zijn vader deed" (Urk. IV : 843, vgl. 821, 1185). Het comparatieve begrip, dat in dezen term besloten ligt, kreeg zoozeer de overhand, dat de praepositie hr door

r werd vervangen: n hBw r (Mythos 7 : 8) = npou-o *s). Knj.... én. Zie bij V : 13.

Kj: i° „vorm, gedaante": \r.nJ s.t tn kj n ht.t „zij maakte het tot" den vorm van een speer" (Pap. Tur. 132:3); whm.k kj.k hr-tp tB „gij neemt wederom de gedaante aan, die gij op aarde hadt" (Pap. Berl. 3135. 2:5); tw.k tnj kj n it/.k F? „gij zijt in

') Het substantief treedt duidelijk aan het licht in zinnen als: hr h3w pw hr m¥.t „dat is de gerechtigheid te ver gedreven!" (Urk. IV. 1089); h3w hr grg-pr „een overdreven luxe van meubilair (r)* (Pap. Prisse 7: 10).

2) De lezing sw3 wordt besproken door A. Erman, A. z. 43 (1906), 95 het is de wedergave van het grieksche ianrriyata (Odyss. 22:475); Pap. Abbott 5:5 gebruikt knkn, lett. „stukslaan" (vgl. Pap. d'Orb. 5 :3).

=•) Vgl. Rjfc€ JKUMKT CAp MgOITO Tl&p& M€^p«JK,A JMI€IKOCJN.OC „want gij stelt [uwe ziel] op hooger prijs, dan alle bezittingen dezer wereld" (A. z. 21 [1883], 146).

Sluiten