Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

131

gestalte gelijk aan uw vader Rê" (2 Anast. 5:6 = 4 Anast. 5 1 8). Het woord kj staat met kd geheel op één lijn: mj kj nb — mj-kd „geheel" (Pap. Westcar 6 : 14; Bauer B42; Pap. d'Orb. 10: 3). De maan, wier schijngestalte aangroeit, heet wBk-kj.f (Mar. Dend. III. 74b) of w3h-kd.t./ (Mar. Dend. II. 31^). Evenals kd, vanaf de vroegste tijden, overdrachtelijk „het karakter, het innerlijk wezen" van den mensch aanduidt (A. Gardiner, Admon., blz. 21), wordt ook kj dikwijls in abstracten zin gebruikt:

2° „toestand": p3j gi mt.k nAm.f „de toestand, waarin gij verkeert" (Mythos 17 : 13); het kan als zinvariant van shrw in de briefliteratuur van het N. R. (zie bij V : 7) gelden: wn-ln.tw hr ddn.snp3 kj n k3s.t tn „men vertelde hun den toestand, waarin zij dit land zouden vinden" (Kübanstèle 12; zoo ook Lebensm. 50: m p3 kj „op deze wijze"); 'ts bw Sh3.k kj n 'tkw.tj „denkt gij er niet aan, hoe het met den landbouwer moet afloopen?" (1 Sall. 5:11 = 5 Anast. 15:7). Een bijzondere nuance van dit abstractum geeft aan kj de beteekenis van „karakter" '), welke, zooals wij zagen, ook aan kd kan worden toegekend: hsj wr.w hr kj./ „wegens zijn karakter bij de magnaten geëerd" (Saitische basaltsarcophaag Turijn 2201, B.W. B.); mrj nb./ hr kj./ „wegens zijn karakter geliefd door zijn heer" (Mar. Mastabas 450, N.R.).

In onzen text heeft kj de eerste beteekenis van groep 2°: „toestand". De prins zette den vorst van Naharin zijn levensomstandigheden nog niet uiteen; de aard van zijn persoonlijkheid boezemt dezen den eerbied (S/y.t) in, waarvan VII: 1 schijnt te gewagen, en eerst daarna dringt hij op nadere bijzonderheden aan.

Kol. VII. Iw./ hr dd n./ Ink srj wc n snnj n p3 t3 n Km.t Iw t3j.j mw.t hr mwt 'iw p3j.j It/ hr lr.t (4) n./ kt.t hm.t tw st hr hprw hr msdd.j (sic) ïw.j hr ij.t m wcr r-h3.t st wn-'m./ hr dj.t n./ t3y./ Srj.t r hm.t 'tw./ (3) hr dj.t n./ pr hnc 3h.wt m-mjt.t i3w.t Ih.t nb.t n/r hr 'r m~ht (sic) sw3 hr nn wn-ln p3 Srj (sic) (6) hr dd n t3y./ hm.t tw.j wd.kwj n III (sic) S3y p3 msh p3 h/3w p3 tw wn-ln.s hr dd n./ immc dj.tw (j) hdbw p3 tsm ntj m-S3.k tw./ hr dd nJ n iw.j r dj.t hdbw p3j.j iw '1 tr.j s.hpr./ (8) tw./ m Srj 'iwJt [hr hprw hr s3w] p3y.st h3y r ihr )kr 'tw bn sw hr dj.t pr./ r-bnr wc (p) 'iw.tw [ir?]./" Ir p3 [h3b f.0?*: p3[wpw.tj «?] p3 t3 n Km.t r kt (sic) ls.tw p3 msh

(10) p3 [lz«C2) m 'tw./ hr hprw m-ck3y./ m p3 dmj ntj p3

(11) Srj 'tm./ 1 f-?*; wnn m (?) ntr ?] ls.tw wc nht lm./ bw dj.t p3 nht

') Vgl. ook het gebruik van hw in deze beteekenis (Chnümhotep 155; Urk. IV. 993, 1077, 1082; Pap. Bülaq 17. 1:5; Ostracon Cairo 25220). De samengestelde uitdrukking m p3 kj heeft de kracht van een adjectief („dusdanig", Lebensm. 49 e. v.).

*) Opp. JfcC&gMTlüOTr ? (zie bij V: 3, W n k3S.f).

Sluiten