Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

136

VI: 13) en is uit de oudste texten reeds bekend: htm./ kd.f tn h.t./ tp-ti „hij gaat tegronde, wanneer hij sluimert in zijn huis op aarde" (Pyr. 308c). Het beteekent „sluimeren, rusten": n wn.t kd.j hr r3-pr.f „ik kende rust noch slaap, uit bezorgdheid voor zijn tempel" (Urk. IV. 363). Het parallelisme met idr, waarin het staat in regel 15, komt dikwijls voor: dd.w sdr pe.t r ssp dStnw.f n-kdd.sn tö.tj.f tn nfk.tJn „hij doet de menschen rustig slapen tot het morgenlicht, zijn hart beschermt zijn jongelingen in hun sluimer" (Pap. Kahün 1:9—10); mQd3y sdr nkdd.iv „de soldaten liggen slapend terneder" (Israëlstèle 23). Zoo ook met de andere synonyma: n kd.j m whS n wrd.j tn hrw „des nachts slaap ik niet, overdag rust ik niet" (Petrie, Coptos 20a -. 16); kd m smt.sn n nhs.t.sn „slapend in hun gestalte (?) zonder te ontwaken" (R. Lepsius, Auswahl 16). De beteekenis „rusten" is vooral goed te onderscheiden in samenstellingen: U.n sw cwj nkd m 3.t Ff tn wp.t „een rustige slaap beving hem op den tijd, toen de zon in het zenith') stond" (LD. III. 68). In dit citaat is kd gepersonifieerd (tij), evenals beneden, in regel 15 {shm); vgl. bw \j.t n.j kd m 'tb.j n 'hrw „geen slaap kwam overdag in mijn hart" (4 Anast. 8 : 8). Het omgekeerde beeld ligt ten grondslag aan de uitdrukking: s^.n h3.tj.j sms kd „mijn hart begon den sluimer te volgen" (Pap. Millingen 2:1 = 2 Sall. 1: 10, naast sdr hr hnkyJ „op het bed liggen").

Hr pry.t Onze papyrus gebruikt den jongeren vorm van den vrouwelijken infinitivus, waarin de derde radicaal der III"* infirmae in het schrift door dubbele jod wordt weergegeven, naast den korteren, schijnbaar twee-radicaligen vorm (VIII: 7). Vgl. K. Sethe, Verbum I, § 395 sub 1, en A. Erman, Gramm. § 405.

Swtwt. De reduplicatie drukt de herhaling van het begrip uit: swtwt is letterlijk „heen en weer gaan", en algemeen: „zich vertreden" (K. Sethe, Verbum I, § 336 sub 1).

i° In den Pap. Harris 8 :4 worden k3mw c3y s.t-swtwt vermeld, groote tuinen die als wandelpark of promenades *) zijn ingericht, (vgl. 1 Anast. 21 : 8): p3 wh3 n s.rwd.n.j m hrr.w m h3w.t nb ndm-stj ndm hl.tj [mw] \m.f n s3dw d.tJwj hr kbbj n mhy s.t nfr.t n.t swtwt.j „het stuk land, dat ik heb laten begroeien met allerhande geurige bloemen en welriekende kruiden, en waarin heerlijke beken zijn, met mijn eigen hand gegraven, — ik zoek daar verkoeling in den noordenwind, een plaats om kalm rond te wandelen" (Pap. Harris 500, Recto 7:7—9, vgl. ibid. 5:7 en Ree. Trav. 16 [1894], 56). Zoo gebruikte Hatsepsut de uit Pünt

') Lett.: „de tijd van Rê op den schedel". In het west-afrikaansche Mendedialect heet de middag: fflö ngundia lett.: „de zon in het midden van het hoofd" (Migeod, Languages of Western Africa II, bü. 172).

*) In den Pap. Golénischeff 6:3 wordt in de reeks van onderdeden van huizen ook S.t swtwt tp-ht „een wandelplaats op het dak" (zie brj IV: 7) genoemd, gedetermineerd met de teekens N 48 en O 3 (B. W. B. < 53 ».

Sluiten