Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

139

ervan en werd dronken en zij viel neer op den rug. [Zijn vrouw liet haar] neervallen met slagen (?) van haar bijl. Men wekte haar echtgenoot zij sprak tot hem: „Zie, uw god heeft u de overhand doen behalen over één der dieren, waarmede het noodlot

u bedreigde. Hij zal en hij] offerde aan den god, bad tot

hem en vereerde hem, dag aan dag". «

Commentaar.

De text Het teeken M 34 (regel 14) is verkeerd geschreven. De resten in regel 15 doen eerder ws3 (ottojh), dan wh3 vermoeden. Van kolom VIII is de laatste helft verloren gegaan, ter lengte van ongeveer 4.5 c.M. Toch is de reeds door Maspero voorgestelde aanvulling van regel 1 en 3 vrij zeker, terwijl het zinsverband de woorden wn-in.f hr aan het einde van regel 5 waarschijnlijk maakt. G. Möller leest in regel 1: nt hk.t. De papyrus echter laat zien, dat het door Möller als m gelezen teeken in werkelijkheid de k is; Möller's teeken h is kt, Möller's ligatuur (van het determinatief W 23 + pluralisteeken) bestaat uit twee, duidelijk te onderscheiden teekens; aan het geheele woord hk.t gaat in den papyrus de praepositie n vooraf. De groep tusschen g3y en n heeft den uitgang -y.t, doch de lezing van het woordteeken is zeer onzeker. De resten komen nog het dichtst bij D 101, dat hier echter onbruikbaar is, of bij U 8 (m3). Schuilt er misschien een verschrijving van m3w „nieuw" in? (Vgl. knw m3w, Pap. Hearst 11: 17 e. d.) In regel 2 ontbreekt bij hr de diacritische streep. Daar regel 3 begint met het determinatief W 23 (N.B. zonder pluralisteeken), gevolgd door «, kan men het slot van den vorigen

regel reconstrueeren als: hr dj.t t3 hk.t „en de zetten het

bier aan de slang voor"; hier moet dan na n3.n een woord voor „bedienden" worden gedacht. Het woord ntr in regel 5 is door vergissing met R 13 + G 15 gedetermineerd. Uit het zinsverband kan de lacune aan het einde van dezen regel aldus aangevuld worden: ïw.f r dj.t [n.k n3 ky] „hij zal u ook macht over de [beide] anderen geven"; hiertoe is ruimte genoeg beschikbaar.

Hrw nfr. Nfr „gelukkig, blijde" ') (A. Gardiner, Admon., blz. 34) kwam IV : 5 bij ib-dw ter sprake. In later tijd werd hrw nfr tot één geijkte uitdrukking, doch deze bijzondere beteekenis van nfr dateert reeds uit de oudste tijden: hrw pw nfr n shs „op dien blijden dag van den snellen gang" (Pyr. 1555^; vgl. m hrw pn nfr, Lacau, Textes Relig. III); n hrw nfr n cwn-'ib „de hebzuchtige kent geen dag van onbekommerde blijheid" (Bauer B 110 e. v.); sms hrw nfr s.hm mh „volg den blijden dag en vergeet de zorgen" (Lebensm. 68). Deze algemeene beteekenis heeft hrw nfr

') Vgl. de door Plutarchus, Pericles 27, gegeven anecdote ter verklaring van den term Xtvxti tjntpce in verband met ot hv tmaSitiaic ysvóij-evoi met Ad-Ar „verblijd' (k. Sethe, SitzuDgsber. Akad. Wissensch. Berlin XV [1906], blz. 360 aanm.).

Sluiten