Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

145

In regel n is de vorm try van het participium imperf. activi opvallend, daar het zinsverband een singularis vereischt en bovendien \ry\t\ een participium passivum is („quae facta sunt"). De dubbele jod van \ry schijnt te zijn ontstaan door een verwarring met een uitdrukking als: \nk wc tn n3y.k Ï3y Ir.w tn s3.k „ik ben één der noodlottige dieren, die u vervolgt", naar analogie van VIII: 5. De dubbele jod zou dan den grammaticalen pluralis aangeven. De hoofdgedachte van het slot schijnt te zijn als volgt: de krokodil moet den prins naar den stroomgod brengen (regel 10), doch doet onderweg aan zijn slachtoffer de belofte, hem te zullen vrijlaten (k3c regel 12), wanneer het hem gelukt om in een tweegevecht (CA3 hn* regel 12) den geest te dooden (hdb regel 13). In de woorden \r ptr.k („wanneer gij ziet", regel 13) schuilt dan een laatste waarschuwing met het oog op den komenden strijd, volgens het gewone sprookjesverloop (vgl. Antti Aarne, Verzeichnis der Marchentypen [1911], n° 500 e. v.).

Maspero las het begin van regel 12: r tntn „naar den weg(?)", doch het gemis van het artikel maakt dit onwaarschijnlijk. De eerste groep na r is zeker t3.

Swtwt. Zie boven bij VII: 12.

Mcd^y.t. De eenige mij bekende plaats, waar mcd3y[.t] voorkomt is Inscr. Hier. Demot. Char. XXIX =14 en 6: htn.w km.wt ntj hr md3y r p3j.j m3wd „de slaven en slavinnen, die onder mijn toezicht het akkerwerk verrichten"; hier is het woord met W 5 3 gedetermineerd. Het nomen moet dus „veld, akker, erf' en dgl. beteekenen (vgl. G. Möller, Sitzungsber. Akad. Wissensch. Berl. XLVII [1910], blz. 934).

Mnctj. Een hapax is ook het semietische leenwoord mnctj, dat, volgens de mededeeling van dr. F. Stummer in het B. W. B., in verband moet worden gebracht met njJJÜ „woning" (Jeremia 21 : 13 en Psalm 76: 3). De verhouding van mnctj en md3y.t is dus die van pr en 3A.t in VII: 5.

Pr. De defectieve schrijfwijze van pr, die wij reeds in VIII: 1 en 7 ontmoetten, komt in het N.-Aeg. vaker voor (1 Sall. 7:1 = 2 Anast. 7 : 3; 1 Anast. 10: 5); die schrijfwijze is dus niet langer als een „fout" te beschouwen, doch is een bewijs, dat het oorspronkelijk drie-radicalige verbum prj werkelijk tot een tweeradicalig is afgesleten; vgl. K. Sethe, Verbum II, SS 266, 673.

Tpw. Maspero vertaalt: „son chien prit le champ". Ons woord schijnt een phonetische weergave te zijn van tpw „uiterwaarde" (de Rochemonteix, Edfü I. 324, 325; Mar. Dend. I. 4.6b), dat met het driemaal herhaalde woordteeken D 1 geschreven wordt. Op de eerste pylone te Philae wordt tp „akker" nog in een zeer geschonden text genoemd (B. W. B. photo 512 <i848». Daar het den grond aanduidt, die gedurende de inundatie overstroomd wordt (b3h), moet de hier „de oever" van den stroom zijn, waarlangs de hond in het water afdaalt. Het woord beteekent: „het boven gelegene" en is dus in afleiding tegengesteld, doch in

10

Sluiten