Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

146

beteekenis gelijk aan het vaker voorkomende mhr, „de laagliggende grond" (A. Erman, Lebensm., blz. 63). De benaming tp „hoofd" voor „oever" herinnert aan het bij 1: 13 besproken beeld tn? „de zijde van den stroom".

Shsh. De volle reduplicatie shsh (K. Sethe, Verbum I, § 336, 1) komt voor vanaf het M. R. tot de papyri der I9de—20ste dynastie naast de oude semi-reduplicatie shs '). Absoluut gebruikt vindt men het verbum betrekkelijk zelden: bw sjtsh.f n-dr msw.f bwt.f k?tw prj- „sedert den dag zijner geboorte heeft hij zich nooit gehaast2); hij had een afkeer van eiken arbeid, die energie vereischt" (1 Anast. 9: 5). Gewoonlijk staat shsh in samenstelling met een door een suffix of een infinitivus gevolgde praepositie: \w.f hr f?f r shsh r wcr „hij maakte zich op, om ijlings op de vlucht te gaan" (Pap. d'Orb. 6:3; de verbinding shsh r wcr staat eveneens bij Düm. Hist. Inschr. 4: 3). De nuance van „snelle vlucht" heeft shsh ook, wanneer het door r-hi.t wordt gevolgd (zie nfr r-h3.t, "boven V: 12): iw.st hr f?st r shsh r-hB.t.f „zij vluchtte snel voor hem weg" (Pap. d'Orb. 10:6); ïw rmt m shsh r-h3.t.k hv sd.k n.sn wbn „de menschen maken zich ijlings voor u uit de voeten, daar gij hen verwondt" (4 Anast. It: 12 e. v.). Tevens kan echter shsh r-hS.t in den oorspronkelijken zin van „vóór iemand uit loopen" worden gebezigd: n3 nhsj.w m shsh r-hBt.k „de negers loopen snel als escorte vóór u uit" (4 Anast. 3:6); tot dit geval behoort ook onze text.

3It. Zie boven bij III: 10.

H?. Dit verbum is de geijkte term voor het vrijlaten uit gevangenschap: sw h? dd.tw.n.f t3w „hij werd vrijgelaten, men schonk hem leven en vrijheid" (Pap. Mayer A, Verso 3:9); hv p3 h?tj-c ssp n.w Ih.t (sic) Iw.f h?.w „nadat de nomarch hun omkoopingsgeschenk had aanvaard, liet hij hen los" (Pap. Tur. 51:3); iw n3 sms.w h?.j Iw.w ddsn 'iw.[n] 'ttB.k „de dienaren lieten mij gaan, terwijl zij zeiden: „het is niet ons plan om u vast te houden" (Pap. Tur. 59: 5); mtw.f p3 e-\r dj h?.j s e bn-p.j ht.w e rs \rmc.j „hij maakte, dat ik haar liet gaan en niet met mij mede nam" (Petub. 11 : 19); h?-te.j r-bl „laat mij toch vrij" (KAATe&o'X., Mythos 17 : 29). De coptische rechtstaal kent nog de uitdrukking K&Xuu e&oX, lett. „iemands rechtspersoonlijkheid (caput!) vrijlaten" (Rechtsurkunden aus Djême, n° 80:40).

Swh;?. A. Gardiner (Admon., blz. 28) onderscheidt drie schrijfwijzen met verschillende beteekenis: i°s[w]k3 + m „zich beroemen

1) Shs reeds Pyr. 852*, 1555*; 'B1- LD- 1L '38a; Siüt-Rifeh, 7:40; 4 Anast. II : 8; evenals swtwt (Urk. IV. 3) en Sm (A. Erman, Gramm. § 401) neemt ook shs vaak het signum pluralis als determinatief aan (K. Sethe, Verbum I, § 207). Het afgeleide nomen shsw „hardlooper, bode" staat Siut-Rifeh 7 : 40; Admon. 5 :4 en Israëlstèle 5- . „

2) Urk. IV. 123 staat de semi-reduplicatie shs in parallelisme met wri „vermoeienis . Ook de verbinding shs-3S heeft de beteekenis van „zich haasten" (4 Anast. 11 : 8, vgl. hS-3S 1 Anast. 28 :4).

Sluiten