Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

152

sindsdien voorbij waren gegaan en de jongeling volwassen was geworden < in al zijn leden >, zond hij een bericht aan zijn vader met de volgende woorden: „Waartoe dient het nu toch, dat ik hier maar steeds ledigzit ? Zie, ik ben [toch] toegewezen aan drie lotsbeschikkingen. Laat [mij dan] handelen volgens mijn wensch, [want] ook de godheid handelt, zooals hij het wil." — [Men] gaf hem een wagen [en paarden en] (Kol. V) allerlei [wapenen en reis-] benoodigdheden ; en men gaf hem [zijn dienaar] als geleider mede. Hij werd overgezet naar den oostelijken oever en men zeide tot hem: „Ga nu maar, waarheen gij wilt." — Zijn windhond was bij hem en hij trok noordwaarts naar vrije verkiezing in de woestijn, en hij leefde van het beste van het wild der wildernis.

Hij bereikte den vorst van Naharin. Aan den vorst van Naharin nu was [geen kind] geboren, behalve een dochter. Voor haar [was] een huis gebouwd, welks erker zeventig ellen van den beganen grond verwijderd was. Hij liet alle zoons van alle vorsten van Syrië ontbieden en sprak tot hen: „Dengene, die den erker van mijn dochter bereiken zal, zal zij tot vrouw zijn." — Nadat vele dagen voorbij waren gegaan en zij op de gewone wijze hun dag doorbrachten, kwam de jongeling langs hen voorbij. Zij namen den jongeling mede naar hun huis, baadden hem en gaven voeder aan zijn span. Zij overlaadden den jongeling met allerlei [goede] dingen, zalfden hem en < omwonden > zijn voeten. Zij gaven brood aan zijn dienaar en spraken tot hem, bij wijze van conversatie: „Vanwaar komt gij, schoone jongeling?" — Hij sprak tot hen: „Ik ben de zoon van een militair uit het land Aegypte. Toen mijn moeder gestorven was, nam mijn vader zich een andere vrouw, <die mijn stiefmoeder werd >. Zij begon mij te haten en ik vluchtte voor haar." — Zij omarmden hem en kusten hem op al zijn leden. Nadat wederom vele dagen sindsdien voorbij waren gegaan, sprak hij tot de jongelieden: „Wat <is dat toch, wat gij daar doet en waarnaar > ik onderweg [al heb staan] kijken?" — Zij zeiden: (Kol. VI) „Hem, die den erker van de vorstendochter van Naharin zal bereiken, zal hij haar terstond tot vrouw geven". — Hij zeide tot hen: „Och, mocht mij [dat gelukken]! Ik zal mijn voeten bezweren, en dan ga ook ik om met u op te stijgen (?)." — Toen zij gingen opstijgen (?), zooals zij dit eiken dag gewoon waren te doen, stond de jongeling op een afstand toe te zien; en de blik der vorstendochter van Naharin rustte op hem. Nadat vele dagen sindsdien voorbij waren gegaan, ging de jongeling [weer eens] opstijgen (?) met de vorstenzoons. Hij steeg op (?) en bereikte den erker van de vorstendochter van Naharin. Zij kuste hem op al zijn leden en omarmde hem. Men ging hiervan mededeeling doen aan haar vader en men sprak tot hem: „Een man heeft den erker van uw dochter bereikt."— De vorst informeerde naar hem, zeggende: „Van wien der vorsten is hij de zoon?" — Men zeide tot hem: „[Hij is] de zoon van een militair. Hij kwam als vluchteling uit het land Aegypte,

Sluiten