Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iói

Ta-Ürt en Bes de meest op den voorgrond tredende zijn. Hekt van Hr-Wr (Urk. IV : 225, vgl. Beni-Hassan I, blz. 85, en Maspero, Et. Myth. Archéol. IV, blz. 182 e. v.), „de Witte van Nechen" genaamd, heet in Dêr-el-Bahri: de godin, die de geboorte tot stand brengt (Urk. IV : 225). Zij treedt hier in gezelschap van dezelfde godinnen op, als waarmee wij haar in den Pap. Westcar zagen verschijnen. Haar arbeidsveld beperkt zich voornamelijk tot de moeder, en tot de vorming van het kind vóór de geboorte (s.hihzv hsS.t c;? knti.w hk.t, Lacau, Textes Rel. V: 2). De benaming „de Witte van Nechen" brengt in herinnering, hoe Nechbit in de zuidelijke Itr.t als aardgodin tevens geboortegenius is. Zoo wordt ook dit denkbeeld betrokken binnen den ruimen kring van (oorspronkelijk afrikaansch ?) chthonisme, waarop zoovele gegevens uit den aegyptischen godsdienst zijn terug te brengen (vgl. A. Z. 48 [1911], 48). De godin met den kikvorschkop Hekt en evenzoo de nijlpaard-godin Ta-Ur.t („de Groote") zijn typische volksgodheden, die alleen krachtens het groote overwicht, dat zij in het sociale geloof der massa hadden, ook tot in de officieele godenverhalen zijn doorgedrongen. Oorspronkelijk aan een localen cultus gebonden, vonden zij haar weg door het geheele Nijldal heen. Belangrijker echter is de godin Meschent, de vrouwelijke genius van den „geboorte-steen", welker wezen door W. Spiegelberg onderzocht is. Het Aegyptisch kent twee substantiva, die, door middel van het praefix tn-, van den radix shn „rusten, tot rust komen" afgeleid zijn: de mannelijke vorm tnshn heeft de algemeene beteekenis van „rustplaats", terwijl het femininum mshn.t in den specialen zin van „geboorteplaats" voorkomt, en bij uitbreiding de godin aanduidt, aan wier hoede in het volksgeloof de geboorteplaats, en al wat hiermee samenhangt, is toevertrouwd '). In de Pyramidentexten (11800, 1183^, 1382c) heet de oostzijde des hemels, waar de goden worden geboren, tnshn.t Ff (vgl. Doodenb.-Nav. 39: 3). Een toevallige parallel heeft deze opvatting bij de Indianen van Zuid-Amerika 2k De meschent, de plaats

') Zie Acta Orientalia III (1924), blz. 125, en H. Grapow, Wortbildungen mit einem Prafix m im Aegyptischen (Abhandl. Berl. Akad. 1914, n° 5), blz. 30. Voor de afleiding van den woordstam shn pleit, dat Doodenb.-Nav. 110:16 het woord mshn in Aa. door G 75, doch in Pd. reeds door Q 7 gedetermineerd is. De verschillende vormen, waaronder de mshn.t en de geboortesteen krachtens de afbeeldingen werden gedacht, geeft F. Weindler, 1. c, blz. 34. (Voor parallelen zie men E. Samter, Geburt, Hochzeit und Tod [1911], Hoofdstuk I.)

2) K. Th. Preuss, Nayarit-Ezpedition I (1912), Inl., blz. 43 en 51; ibid., Text, 38: 5, 44: IJ e. v., 215: 7. De nachtelijke hemel, waaruit des morgens de zon wordt geboren, is hier tevens de geboorteplaats der menschen. Met de voorstelling van den nacht als doodenrijk is het in overeenstemming, wanneer het saltische Doodenboek (145 : 84, Lepsius) het begrip „geboorte" met de necropolis in verband brengt door middel van de woorden mshn n.t t3 dtrJ. Een schakel tusschen de beide beteekenissen: „plaats der geboorte" en „godin der geboorteplaats", welke het woord msfyn.t heeft, vormt de passage Pap. Peterburg 1116B, Recto 57: t3 mshn.t n.t ntr.w nb „het land der geboorteplaats van alle goden", waarin het woord met het teeken I 11 (godin!) gedetermineerd is (zie B. Gunn, Studies in Egyptian Syntax, blz. 124 aanm., en den variant Ostracon Cairo 25224, Verso 14).

11

Sluiten