Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i65

lijn met Nprj, den god van het ontspruitende graan (Urk. IV : 1161). Haar feest viel samen met het ontluiken van het vegetatieve leven'). Ook is rnn.t een aanduiding voor de jonge, huwbare vrouw (E. Naville, Mythe d'Horus 1: 8, vgl. puooimi). Zoo wordt rnn.t het symbool van geluk, van zegen en overvloed (Mythosglossar n° 468 en 1047); en de hoop om den kinderen een zorgeloos leven te kunnen verschaffen, door hen „kind van het geluk" te noemen, maakte namen als ®epptov$i$ 2) en 'EpptovSis (A. Z. 43 [1906], 89) populair. „Son nom pouvait évoquer dans 1'esprit des Egyptiens des nuances qui nous échappent, mais ce qu'on attendait d'elle surtout, c'était une vie facile et exempte des soucis de 1'existence matérielle."3) De naam Renênit maakte zich dus los van de eigenlijke beteekenis van den woordstam, welke een persoonlijken genius zou doen vermoeden; zij heeft door haar sterk vegetatief, bijna chthonisch karakter een grootere algemeenheid gekregen, dan ooit ten deel kon vallen aan een der tevoren behandelde godinnenfiguren, wier werkzaamheid tot op zekere hoogte toch steeds individueel beperkt bleef. De moralistische abstractie, die ons onder haar naam in latere tijden tegemoet treedt, heeft zich natuurlijk uit dit oorspronkelijke wezen ontwikkeld.

Sai. Een aparte groep vormen in dit verband de vele texten, die rnn.t tezamen met S3j noemen en beiden als het ware als één begrip ons voor oogen stellen. De bekende plaats bij Mariette, Abydos I. 6:9 (= Inscr. Dédic. 36; vgl. Quibell, Ramesseum 10:4 en Berl. 20376, A: 1 [el-Amarna]), waar Ramses II nb $3j s.hpr rnn.t heet, was voor Maspero, bij de bespreking van het verhaal van den Prins, het uitgangspunt, van waaruit hij Sij en rnn.t ten onrechte als ptoïpx en tu%j? naast elkaar plaatste. Deze beiden zijn het, onder wier toezicht de psychostasie (in Doodenb. 125) plaats heeft4). De veelvuldigheid, waarmee beide begrippen in de texten voorkomen, doet vermoeden, dat deze (tot een cliché geworden) term twee ideeën verbindt, die ook in wezen onderling ten nauwste verwant zijn. Shpr rnn.t5) zooals

malkl „lotbepalende godin der vorsten" aangeroepen (E. Ebeling, Keilschrifttexte aus Assur relig. Inhalts III n° 109, Verso 2 en 11; voor de vertaling, zie idem, Mitth. V.-A. Gesellsch. 1918 n° I, blz. 52). Het Renênit-type gaat hier reeds over in dat van Sai.

') H. Brugsch, Relig. und Mythol., blz. 358. Dat feest werd gevierd in de maand Pachons (17 Maart tot 15 April). De voorgaande maand draagt naar haar den naam pn-rnn.t (n&pj\.OTTTe, rtApriOTTTe, t|>&pjM>ir0-l). Als slangvormige godin (uraeus, zie het determinatief bij Mariette, Dendereh Hl. 75^) tooit zij, reeds vóór het Nieuwe Rijk, het hoofd van Hci-htp (Med. Pap. Hearst, 14:4). Als vegetatieve godin is zij. geteekend in de afbeelding Lanzone, Dizionario, plaat 189 n° 4.

2) O. L. Z. 1923, 324, en Höfer in Roscher's Lexikon. Een voorbeeld uit het Middelrijk vermeldde ik reeds boven.

3) Henri Sottas, in Etudes dédiées a Champollion, blz. 488.

4) Vgl. Pleyte, Etude sur un rouleau magique, blz. 24. *) 'Ir.f hpr ï3j rnn.t in denzelfden text, regel 411.

Sluiten