Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i6j

hartelijke zegenwensch'); sterker nog: C»A mz.k snb hr.k S3f Rnn.t tn hf^.k „leven zij met u, gezondheid bij u, Sai en Renênit in uw hand"*). Wanneer de steller van een reeks modelbrieven zijn leerlingen de groote voordeden van het schrijversambt voor oogen wil stellen, roept hij uit: rnn.t hr w3.t[f] rnn.t hr Ifh.f „geluk is op [zijn] weg en voorspoed in zijn armen"; doch wee hem, die het leven van geleerde verlaat: n wn tnc.f s3j.t „geen zegen is zijn deel"3). êai-en-RenêÜt zijn dus, in verhouding tot elkaar, één (tot vaste formule geworden) uitdrukking voor materieel geluk-en-voorspoed; zij hebben niets te maken met lot en geluk in den zin, zooals Maspero dit wilde*). Wij zullen wel niet ver van de waarheid af zijn, wanneer wij dit s3j herleiden tot den stam s3, die „voordeel, nut" beteekent en die in het coptische

ujAT, jMtuja. (A. Z. 47 [1910], 144) e. d. bewaard is gebleven. Den overgang van het hierboven besproken s3j tot de beteekenis, waarin het woord in het verhaal van den Prins optreedt, vormt een passage in den kort geleden uitgegeven5) papyrus, die de moraalleer van Amenemöpe behelst. Een zijner stellingen (9: 11) luidt als volgt: tn-ir km3 \b.k m-s3 wsrw n hm s3j rnn.t. E. A. Wallis Budge (l.c, blz. 439) vertaalt: „set not thy heart on the pursuit of riches, regardless of Fate and Luck". Niet alleen houdt hij hierbij vast aan de traditioneele vertaling van s3j en rnn.t, welke krachtens het boven behandelde niet juist is; maar ook is de wedergave van wsrw door „rijkdom" bedenkelijk. Wsrw beteekent „kracht, macht", en de door Budge voorgestelde nuance van beteekenis is in strijd met het vervolg van den zin. Houdt men zich aan een letterlijke vertaling, dan krijgt men: „zet niet uw hart op het verkrijgen van macht, vergeet niet met welk een groot verlies aan materieelen welstand dit vaak gepaard gaat".

vorm van een ram toegevoegd, hetgeen de vegetatieve beteekenis ten duidelijkste voor oogen stelt. Een sterk argument voor deze beteekenis van het determinatief schijnt mij het volgende te leveren. Eenige malen is er in de texten sprake van de h3bJntr mj Sfj.t „godenschaduw in ramvorm", bij den bouw van tempels e. d. (b. v. Urk. IV: 183; LD. III :89c; vergelijk de groote bouwinscriptie bij Petrie, Six Temples XI e. v., regel 21 en W. Spiegelberg, Ree. Trav. 20 [1898], 53)i 2e" woonlijk wanneer gesproken wordt van een deur of poort. In een dergelijk verband wordt de )j3l>.t-ntr ook genoemd in de biographie van Inêne (Urk. IV : 56), doch nu gedetermineerd door de figuur van den ithyphallischen Min, den ouden vruchtbaarheidsgod van Coptos. De vergelijking van deze plaatsen stelt de vegetatieve natuur van Sai in bovengenoemde texten duidelijk in het licht. ') 5 Anast. 9: 7.

2) LD. HR 237c: 2 (Karnak).

3) 2 Sallier 11 : 1—2 en i Sallier 6:9.

4) Hpr S3j rnn.t tn Jr.n.s (A. Z. 1873, blz. 137 e. v.) is dus niet te vertalen: „S. et R. furent a sa formation" (Maspero, Etudes Egyptol. I, blz. 173), doch „geluk en voorspoed is in alles, wat zij tot stand bracht", een andere inkleeding van dezelfde gedachte, die ik boven besprak.

5) E. A. Wallis Budge, Hieratic Papyri in the British Museum, 2»d Series, 1923, besproken door hemzelf in de Etudes dédiées a Champollion, en door A. Erman in de Sitz. Akad. Wiss. Berlin, Januari 1924; vgl. ook O. L. Z. 1924, Kot. 161,187 en 241.

Sluiten