Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i8o

kenis, die deze teekengroep in het volksgeloof had, trachtte te verdringen. Een derde middel om voor de opvarenden het gevaar der krokodillen te verwijderen is: een bal van excrementen (éwht n hé), welken de schipper, die op de voorplecht staat, in de hand houdt (m d.t s m hB.t dp.t), in het water te werpen, zoodra het dier den kop boven de golven steekt (ir pry ntj hr mw h?.tw hr mw Mag. Pap. Harris 6:12, Rubriek).

De krokodil, die ongezien zijn prooi nadert (Iw m ipw, L. D. II. 105) en deze door zijn oogenschijnlijke rust weet te misleiden *), was dus het voorwerp van een bijgeloovige angst en vereering; terwijl de officieele theologie hem als de belichaming van het anti-goddelijke beschouwde, zag het volk in dit dier eerder het instrument, waardoor de goddelijke macht en gerechtigheid zich deed gevoelen2). Evenals tegenwoordig nog in Senegambië de krokodil het vonnis bij het godsoordeel voltrekt (E. Weissenborn, 1. c, blz. 216), is hij ook in het oude sprookje het goddelijk werktuig bij de redding van den onschuldige (Pap. d'Orb. 6: 7). Vandaar dat het, in het verhaal van den Prins, wederom de krokodil is, waardoor het lot voltrokken wordt, terwijl ook de legendarische geschiedenis der eerste dynastieën de „Entrückung" van vroegere vorsten3) door toedoen van deze dieren laat plaats vinden. Ditzelfde gegeven leeft in de stam-tradities der Bakitara (J. Roscoe, 1. c, blz. 325; vgl. A. Tremearne, Superstitions, blz. 136 noot) en in de magiërssagen der Nuba voort (L. Reinisch, Nubasprache I, blz. 223). Hiermede betreden wij echter het gebied van den voorouderen-cultus, welke in Afrika juist aan den krokodil een belangrijke rol toekent4).

Het hoofdpunt van verschil in dezen tusschen theologie en volksgeloof ligt dus voornamelijk hierin: de eerste beschouwt den krokodil als incarnatie, daarna als symbool van de aan den hoofdgod vijandige machten; in de folklore daarentegen is het dier het werktuig, door middel waarvan de godheid haar wenschen ten uitvoer brengt. En het ligt voor de hand, om hierin den invloed der vooral in Afrika zeer sterk op den voorgrond tredende voorouderen-vereering te herkennen.

') Wn rm bjn e.f sgrh m-kly msh hn mw „de booze mensch houdt zich rustig als een krokodil in het water1', d. w. z. stille wateren hebben diepe gronden (Pap. Insinger 23 : 15).

2) In den coptischen tijd treedt natuurlijk de duivel in de plaats der heidensche goden en is het ook de duivel, die de menschen door een krokodil laat rooven

(MJTp€ OTTHOC rtO^CAO TU>pri JMipiOjlN.C, Guimet 25:418, vgl. E. Dayrell, Nigeria, n° 38). De krokodil komt als voltrekker van de bloedwraak voor bij J. G. Frazer, Golden Bough (1924), blz. 518.

3) Zoo Achthoës bij Manetho (A. Wiedemann, Geschichte, blz. 218) en Menesbij Diodorus Siculus I. 89; vgl. J. Lauth. Chronologie, blz. 26S, Herod. II. 90 en Steph. Byz. sub voce xfOtuStlKm trtfA/c.

4) Weissenborn, l.c, blz. 124; Jacottet, 1. c, blz. 118, 168, 171 (Ba'suto); A.Le Roy, La religion des Primitifs (1911), blz. 316 (Fang-negers).

Sluiten