is toegevoegd aan je favorieten.

Nederlandsche volksoverleveringen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

zij bespied worden. Hij staat tegenover menschen als hijzelf, die dikwijls een ongemotiveerd wantrouwen hebben, wanneer de vreemdeling bij hen binnentreedt. Hoe verder wij willen komen, hoe meer ons de studie in den weg kan staan; niet •— men begrijpe me goed i— de studie op zichzelf, de verworven wetenschap der elementaire begrippen, maar de invloed der studie op onze eigen ziel. Het gevaar van de studeerkamer, die ons een tijdlang van de wereld heeft afgesloten, wordt plotseling groot. Wijzelf voelen iets onbeholpens in ons, wij komen uit een beperkte wereld in een andere maatschappij. De menschen, ons studiemateriaal, zijn te levend voor ons, en wij te dood voor hen. We staan schuchter en verlegen tegenover elkander. Er zullen wel weinig volkskundigen zijn, die dezen schroom niet min of meer hebben gevoeld; dit juist maakt het beoefenen dezer wetenschap zoo zwaar. Aan de persoonlijkheid van den zoeker worden de hoogste eischen gesteld, die ik niet anders dan vaag kan omschrijven, omdat het woord een te stug materiaal is, wanneer het onze diepere zieleaandoeningen zal moeten weergeven. Ik zou zeggen, dat de volkskundige zal moeten beèchikken over den eenvoud en de natuurlijke liefde. Hij mag niet onder de menschen gaan als de meester, maar als de leerling. Hij moet hebben het ongekunstelde en het vertrouwen-wekkende. Hij dient zijn wetenschap te verbergen, en hij moet worden gelijk aan de menschen, die hij bezoekt. Een'groote angst overheerscht me, terwijl ik dit zeg. Dat ik mijn meening nog niet nauwkeurig genoeg heb weergegeven. Wat zijn wij allen, zoekers naar waarheid en schoonheid, zonder wetenschap? Ook de volkskundige, die het vrije veld ingaat, teneinde zijn aanteekeningen te verzamelen, heeft de wetenschap noodig, als een hongerige brood. Maar alles, wat hem kenmerkt als wetenschappelijk man, moet hij afleggen. Hij kome tot het volk als een man van het volk. Hij zij één met de menschen, wier ziel hij tracht te verstaan.

Dan zal er nog iets zijn, waarmede ge rekening moet houden. Bij meerderen van ons volk bestaat, zooals u bekend zal zijn, een onoverwinnelijke afkeer tegen het „geschilderd worden"; het denkbeeld, dat hun portret achter een winkelraam in de stad zal staan, kunnen velen niet verdragen. Zóó stuit de volkskundige herhaalde-