is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag van de commissie, ingesteld door de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Gooiland, bij besluit van 26 februari 1924, om te onderzoeken de uit een technisch en economisch oogpunt meest in aanmerking komende wijze van verbetering van de verbinding van het Gooi met de scheepvaartwegen in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE AFDEELING.

De Waterstaat- en Scheepvaartkundige toestand in Gooiland en Omgeving.

HOOFDSTUK f,

De Waterstaatkundige toestand tusschen Vecht en Eem.

§ 1. Algemeene beschouwingen.

Het nagaan van de mogelijkheid en de wenschelijkheid van de verbetering der scheepvaartverbindingen van het Gooi kan slechts op de juiste wijze plaats vinden, indien men voldoende kennis draagt van den waterstaatkundigen toestand van de betrokken landstreek.

Hoever strekt zich de betrokken landstreek uit? In de eerste plaats behoort hiertoe het Gooi zelve, d.w.z. de hooge gronden tusschen Vecht en Eemvallei ingenomen door de NoordHollandsche Gemeenten Hilversum, Bussum, Naarden, Huizen, Blaricum en Laren. Daarenboven zijn ook de het Gooi begrenzende terreinstrooken, welke de bestaande scheepvaartverbindingen doorsnijden, of waardoorheen eventueele nieuwe vaarwegen geprojecteerd moeten worden, voor onze onderzoekingen van belang. Zij strekken zich uit tot de groote scheepvaartwegen, van waaruit of waarheen de Gooische scheepvaart plaats vindt of in de toekomst plaats zou kunnen vinden.

In het Westen vormt dientengevolge het Merwedekanaal de grens; immers, vaartuigen komende van het Gooi, die het Merwedekanaal bereikt hebben, moeten geacht worden de specifiek Gooische waterwegen te hebben verlaten en door het bestaande grootscheepvaartwegennet van Nederland te zijn opgenomen. Aan de Oostzijde behoeven onze onderzoekingen zich niet verder uit te strekken dan de Eem. Een Zuidelijke begrenzing door een grootscheepvaartweg is niet aanwezig; echter heeft (zooals in Hoofdstuk VII zal blijken) de streek ten Zuiden van het Tienhovensch kanaal geen beteekenis voor het vraagstuk der Gooische kanalen.

De waterstaatkundige toestand van de landstreek die in het Zuiden begrensd wordt door het Tienhovensch kanaal, in het Westen door het Merwedekanaal, in het Noorden door de Zuiderzee en in het Oosten door de Eem, zal dus in dit hoofdstuk in zooverre beschreven worden, als zij van beteekenis geacht kan worden voor het vraagstuk der Gooische scheepvaartwegen, dus zonder daarbij in détails te treden, die in een te ver verwijderd verband staan met het doel, dat hier beoogd wordt.

Achtereenvolgens zal een overzicht gegeven worden van den waterstaatkundigen toestand van de Vecht en de landstreek tusschen de Vecht en het Gooi, het Gooi, én het Eemdal (zie Bijlage 1).

§ 2. De Vecht en de landstreek tusschen de Vecht en het Gooi.

a. De Vecht als boezem.

Door de Weerdshris te Utrecht, die als beginpunt van de Vecht te beschouwen is, wordt op de Vecht gebracht het overtollige water van ongeveer 32.300 H.A. land, welke het gebied vormen van de op het stadswater van Utrecht samenkomende boezems. De Vecht zelve dient als boezem voor ± 23.000 H.A. land (i), welke beneden Utrecht hun water rechtstreeks daarop loozen. Daarenboven wordt de Vecht nog belast met het water, dat door tusschenkomst van de 's-Gravelandsche vaart en de Naarder trekvaart daarop wordt gebracht. Al dit overtollige water bereikt de Zuiderzee door de sluizen te Muiden. Zoolang de Ziuderzeestand te Muiden den normalen waterstand niet beteekenend overschrijdt, kan de loozing op voldoende wijze

,n ?eze,^ii!er^, ZV» «««eend aan het verslag der Staatscommissie, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 10 November 1911 Nn tnt het inc+oiu» aa„ „„^ >.i. . 1 i t .{_ t" jTT' . .

van dP nïa^ h»„^„ ^ w —~— ™» <«mi»i net vrddgbiuK uer uroogmaKmg