is toegevoegd aan je favorieten.

De melkvoorziening van Amsterdam

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

Ten slotte geeft de ontworpen gemeentelijke melkverordening voor Amsterdam nog nadere voorschriften voor het vetgehalte van de melk. Dit zal niet mogen dalen beneden:

voor April, Mei, Juni, Juli en Augustus

2,70 pCt.

voor Februari, Maart, September en October

2,85 pCt.

voor November, December en Januari

3 — pCt.

De toelichting zegt hieromtrent het volgende:

„In de Memorie van antwoord op het voorloopig „verslag door de Tweede Kamer uitgebracht op het „ontwerp-Warenwet, werd melk genoemd als een der „waren, ten aanzien waarvan het stellen van afzonderlijke eischen wenschelijk zou kunnen zijn (art. „15, al. 3, der Warenwet).

„In art. 2 van het Melkbesluit worden algemeene „eischen gesteld aan de samenstelling van melk; blijkbaar is echter aan de gemeenteraden overgelaten aan „het vetgehalte eischen te stellen. Intusschen is de behoefte aan het vaststellen van bepaalde grenscijfers „tot voor kort niet gevoeld.

„Door den Rechter toch werd melk ondeugdelijk „van samenstelling geacht, indien het vetgehalte en de „vetvrije droogrest beneden een zeker peil daalden. De „Rechter heeft zich in overeenstemming met de mee„ning der door hem geraadpleegde deskundigen tot „voor kort steeds gehouden aan de eischen van den Co„dex Alimentarius.

„De Hooge Raad heeft echter thans beslist, dat het „begrip „ondeugdelijk van samenstelling" niet meer „op een waar toepasselijk is, zoodra aan die waar bij „Koninklijk Besluit eischen zijn gesteld.

,„Het gevolg hiervan is, dat wegens den verkoop „van melk met bijv. 2,4 pCt. vet niet met kans op suc„ces proces-verbaal kan worden opgemaakt, indien „men niet door een stal- of weidemonster, of door bemonstering bij aflevering kan bewijzen, dat aan die „melk direct of indirect vet was onttrokken.

„Het vaststellen van grenscijfers is daarom thans „gewenscht.

„De bestudeering van de vraag, welke de grenscijfers voor vet behooren te zijn, had reeds tot bepaalde „conclusies geleid, toen meergenoemd Koninklijk Be„sluit van 4 Augustus 1926 tot wijziging van het Melk„besluit verscheen, waarin wordt vastgelegd, dat, onverminderd hetgeen krachtens artikel 15, lid 3 der „Warenwet zal worden bepaald, het procentische vetgehalte der droogrest niet lager mag zijn dan 24. „Deze eisch beteekent voor melk van verschillende samenstelling, dat de melk tenminste moet hebben: bij „een vetvrije droogrest, varieerende van 8 tot 9 pCt. „een vetgehalte, varieerende van 2,6 tot 2,9 pCt.

„Wilde men alleen tegen fraude waken, dan ware „de eisch, dat het vetgehalte ten minste 24 pCt. van de „droogrest moet zijn, voldoende.

„Wij zijn echter van oordeel, dat door middel van „het stellen van een ietwat hoogeren eisch aan het vetgehalte, de niet vervalschte, maar toch schrale melk „van de levensmiddelenmarkt dient te worden ge„weerd. Daarbij moet rekening worden gehouden met „de omstandigheid, dat het vetgehalte in de verschil„lende maanden van het jaar nogal uiteen loopt.

„Na overleg met de Regeering zijn de eischen zoo„danig gesteld, dat zij eventueel ook door andere groo„te gemeenten zouden kunnen worden opgenomen in „de door haar vast te stellen verordeningen."

Reeds eerder hebben wij uiteengezet, dat het vetgehalte van de consumptiemelk door ons niet van zeer groote beteekenis geacht wordt, zoolang deze melk een behoorlijk gemiddeld vetgehalte toont te hebben. On¬

getwijfeld maakt het echter voor den verbruiker verschil of hij melk ontvangt van bijv. 2K pCt. vet of van 3 of 3H pCt. Kan men dus bereiken, dat de verbruiker geregeld melk krijgt van bijv. omstreeks 3 pCt. vet, dan is dit zekér toe te juichen.

Volgens de tot heden verschenen verslagen van Keuringsdiensten over 1926 stond het met het vetgehalte der melk als volgt:

Gemiddeld vetgehalte:

Dordrecht (district) 3,20 pCt.

Zwolle (district) 3,18 „

Nijmegen (stad) 3,12 „

Arnhem (district) 3,30 „

Zutphen (stad) 3,18 „

Utrecht (stad) 3,16 „

Amersfoort (stad) 3,28 „

Friesland (district) 3,34 „

Rotterdam (stad) 3,27 „

Den Haag (stad) 3,06 „

Amsterdam (stad) 3,10 „

Men ziet dus dat er streeksgewijze eenig verschil bestaat en dat het gemiddelde vetgehalte der melk in de genoemde plaatsen ligt tusschen 3,06 en 3,35. Behoefte aan verhooging van dit gemiddelde als zoodanig bestaat er niet, het is bevredigend. Het is ook duidelijk, dat de in de Amsterdamsehe verordening ontworpen vetgehaltevoorschriften slechts tot verhooging zouden kunnen bijdragen, indien de gemiddelden die thans bereikt worden het resultaat waren van zeer groote schommelingen naar boven en naar beneden. Door het wegnemen of beperken van deze laatste zou het gemiddelde stijgen. Waar echter de verordening lage getallen als minima voorschrijft, verwachten wij van een dergelijk voorschrift niet veel resultaat. Wellicht worden enkele zeer lage gevallen er door uitgeschoten doch daarbij zal het wel blijven. Het komt ons voor, dat deze getallen dan ook in de toekomst onder oogten zullen moeten worden gezien, mits er ook een scherpe controle op de naleving wordt uitgeoefend.

Resumeerende is ons oordeel', dat deze verordening enkele goede, hoewel niet zeer belangrijke voorschriften geeft; dat zij de bevordering der pasteurisatie bepaald op verkeerde wijze aanpakt, en dat dit belangrijke onderdeel wijziging behoeft, wil het aan zijn doel beantwoorden en niet bepaald schadelijk werken.

Wij leggen er overigens den nadruk op, dat van een gemeentelijke verordening op dit gebied ook geen grootsche resultaten gevraagd mogen worden, aangezien de hoofdzaken reeds bij het Melkbesluit geregeld zijn en een verordening slechts kan dienen om enkele hiaten aan te vullen.

2. Verleewbng van Subsidies.

Behalve door de uitvoering van het Melkbesluit en door de aanvulling daarvan in eene gemeentelijke melkverordening, willen B. en W. van Amsterdam de melkvoorziening van de hoofdstad helpen bevorderen door het geven van subsidies aan particuliere instellin•gen. Deze instellingen zelve zullen wij nog nader aan een beschouwing onderwerpen, doch voor het oogenblik bepalen wij ons tot het feit der verleening van die subsidies.

Reeds onmiddellijk willen wij verklaren, dat wij in het algemeen geen voorstanders zijn van subsidieering van particuliere instellingen door de gemeenschap. Er bestaan weliswaar gevallen waarin een dergelijke subsidieering noodzakelijk is om een bepaald doel' te bereiken doch in het algemeen zullen naar ons oordeel particuliere instellingen zich met particuliere gelden moeten bedruipen. In de eerste plaats is zulks noodig om het zuiver particuliere karakter van deze instellingen te bewaren. Vanaf het moment toch dat de