Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

156

Voorts verhaalt Havard van den grooten brand, die de. stad den 13en mei 1536 teisterde en grootendeels in den asch legde, van den brand in 1618, waarbij ook het stadhuis werd vernield, en van de ramp van het springen van het kruithuis den 12en october 1654, waarbij tal van huizen werden verwoest en veel menschen om het leven kwamen, o. a. de 30jarige schilder Fabutius. Verder schrijft hij over de Delftsche bierbrouwerijen, hun opkomst, privilegiën, toenemenden bloei en ondergang.

Dit alles en nog veel meer beschrijft hij op echt Fransche manier in enthousiaste, zoetvloeiende, aangenaam leesbare taal, ofschoon vaak oppervlakkig en onnauwkeurig, en dan trekt hij uit dat rijk en wisselvallig verleden het besluit, dat Delft de aangewezene plaats was voor de beroemde aardewerkindustrie, dat het eigenlijk niet anders kon of deze moest daar ontstaan en tot ongekenden bloei gedijen. Wij gelooven dit niet, zien niets geen verband tusschen het één en het ander en zijn met den schrijver over het wit Delftsch van oordeel dat het louter toeval is, dat die beroemde industrie in Delft en niet in eene andere plaats van ons land of zelfs buiten onze grenzen het aanzijn kreeg, zich zoo enorm uitbreidde en tot volmaaktheid kwam.

Havard heeft door zijn jarenlangen arbeid en het prachtwerk daarover ongetwijfeld een blijvend aandenken gesticht voor de Delftsche ceramiekindustrie en tevens voor de vele kunstenaars en plateelbakkers, die daarin werkzaam zijn geweest. Van deze toch heeft hij de namen, den tijd, waarin zij arbeidden en tal van genealogische en biographische bijzonderheden onder het stof der oude archieven te voorschijn gehaald en bekend gemaakt en tevens van velen den naam hunner fabriek, de gebruikte fabrieksmerken, enz. opgediept.

Hij toont duidelijk aan dat deze industrie eerst omstreeks 1600 is ontstaan en dat de oudste of eerste plateelbakker zekere Herman Pieterszoon was, geboren te Haarlem, die in 1600 op 't register van „het haartstede geit bynnen de Stadt Delff" staat ingeschreven als plateelbacker, bezittende een huis met een oven en drie gewone haardsteden, aan het Oosteynde gelegen.

In de oudste opgave van 1613 der toenmaals ingeschreven meesters van het in 1610 te Delft opgerichte St. Lucasgilde staat hij boven aan de lijst. Ijverige nasporingen hebben Havard voorts doen zien dat hij een welgesteld man was, die behalve het door hem bewoonde huis in de nabijheid nog twee woningen

Sluiten