Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tekst 1887.

46. Eene wet bepaalt, bij de benoeming van den Regent of bij de aanvaarding van het Regentschap door den Prins van Oranje, de som, die op het jaarlijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen voor de kosten van het Regentschap.

Deze bepaling kan gedurende het Regentschap niet worden veranderd.

47. Zoodra het in art. 38 omschreven geval heeft opgehouden te bestaan, wordt dit door de Staten-Generaal in vereenigde vergadering verklaard bij een besluit, dat op last van den Voorzitter, in art. 40 vermeld, wordt afgekondigd.

48. Dit besluit wordt genomen op voorstel van den Regent of van ten minste twintig leden der StatenGeneraal.

Deze leden dienen hun voorstel in bij den Voorzitter der Eerste Kamer, die de beide Kamers onmiddellijk in vereenigde vergadering bijeenroept.

Is de zitting der Kamers gesloten, dan zijn die leden bevoegd de oproeping zeiven te doen.

49. De hoofden der ministeriele departementen en de voogd of voogden zijn persoonlijk gehouden aan de Kamers der Staten-Generaal, zoo dikwerf dit wordt gevraagd, omtrent den toestand van den Koning of van den Regent verslag te doen.

Art. 94, 3de lid, is ten deze ook op de voogden toepasselijk.

50. Onmiddellijk na afkondiging van het in art. 47 omschreven besluit herneemt de Koning de waarneming der regering.

13

Veranderingen 1917.

Veranderingen en tekst 1922.

46. Eene wet bepaalt, bij de benoeming van den Regent of bij de aanvaarding van het regentschap door den Prins van Oranje of door de dochter des Konings, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, de som, die op het jaarlijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen voor de kosten van het regentschap.

Deze bepaling kan gedurende het regentschap niet worden veranderd.

46. Zoodra het in artikel 36 omschreven geval heeft opgehouden te bestaan, wordt dit door de StatenGeneraal in vereenigde vergadering verklaard bij een besluit, dat op last van den Voorzitter, in artikel 38 vermeld, wordt afgekondigd.

47. Dit besluit wordt genomen op voorstel van den Regent of van ten minste twintig leden der StatenGeneraal.

Deze leden dienen hun voorstel in bij den Voorzitter der Eerste Kamer, die de beide Kamers onmiddellijk in vereenigde vergadering bijeenroept.

Is de zitting der Kamers gesloten, dan zijn die leden bevoegd de oproeping zelf te doen.

48. De hoofden der ministerieele departementen en de voogd of voogden zijn persoonlijk gehouden aan de Kamers der Staten-Generaal, zoo dikwerf dit wordt gevraagd, omtrent den toestand van den Koning of van den Regent verslag te doen.

Artikel 95, derde lid, is ten deze ook op de voogden toepasselijk.

49. Onmiddellijk na afkondiging van het in artikel 46 omschreven besluit herneemt de Koning de waarneming der regeering.

Sluiten