Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27

zaak geen goed doen. U stuurt aan getuige een kistje sigaren met een biljet van ƒ 100.— boven in het kistje, waarop hij U dit terugzendt. Desniettegenstaande stuurt U hem nogmaals het kistje." Beklaagde, wanhopig:

„Ik dacht, dat hij het kistje misschien aan den verkeerden kant had opengemaakt!"

Rechter (tot zijn echtgenoote, die op het punt staat in modern avondtoilet naar een bal te gaan):

„Liefste, als ik je zoo gekleed zie, zou ik het liefste de publieke tribune laten ontruimen."

De Officier van Justitie heeft zijn Requisitoir gehouden. De verdediger krijgt het woord onder doodsche stilte en begint:

„Edelachtbare Heeren, de onschuld van beklaagde is zoo duidelijk bewezen, dat elk verdedigend woord overbodig is" (de verdediger spreekt verder.)

President (na een uur:)

„Hoe lang denkt U nog door te gaan, Mijnheer?"

„Heb je al gehoord, dat Dubbeldam een paar jaar stil wil gaan leven en zich uit alles wil terugtrekken?"

„Ja, ik hoorde, hoe hij het verleden week vertelde."

„En ik hoorde, hoe de Officier van Justitie het verleden week vertelde!"

Kantonrechter: (bekend vrijgezel) tot vrouwelijke getuige (eveneens zeer bekend):

„Getuige, Uw naam en voornamen?" Getuige:

„Dat zal jij niet weten!"

Eli Potschneus ontvangt van den advocaat een telegram luidende:

„De rechtvaardige zaak heeft gezegevierd", waarop hij oogenblikkelijk terug telegrafeert:

„Dadelijk in hooger beroep gaan."

Het Visitekaartje.

Cliënt tot advocaat:

„Wat zou U er van denken als wij den kantonrechter met het oog op het vonnis een haas stuurden?"

Sluiten