Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34

Sergeant: „Wat ben jij in de burgermaatschappij?" Recruut: (student) „Mineraloog, sergeant." Sergeant: „Altijd die vreemde woorden; zeg dan fabrikant van spuitwater."

Bij het commandeeren roept Kaptein Blufsnor: „Het rechterbeen heffen."

Een recruut, die in het midden van de rij staat, heft het linker been op, waarop de kaptein buldert:

„Welke ezel heft daar beide beenen in de hoogte?!"

Luitenant tot zijn oppasser:

„Jansen, die soep, die je me daar brengt, is niet warm genoeg." Oppasser:

„Maar Luit, U hebt hem nog niet eens geproefd!" „Nee, dat niet, maar ik zie, dat jij je duim er in kunt houden, terwijl je hem brengt."

In het militaire hospitaal te X. heerscht strenge discipline. De „gele rijder" Pluim had van den dokter uitdrukkelijk bevel gekregen om in bed te blijven.

Maar daar kwam plotseling zijn meisje op visite

en Pluim stond bij het afscheid op en begeleidde haar tot de deur en bleef op de trap van de stoep met haar staan praten.

De dokter had het gezien en er werd in het Dienstboek geschreven:

„De Artillerist Pluim wordt gestraft met een strenge terechtwijzing, omdat hij met een vrouwspersoon op de stoep staande, in plaats van in bed liggend, werd aangetroffen."

De weddenschap-maniak.

In een klein garnizoen was een jonge tweede luitenant, die om alles weddenschappen afsloot. Op een keer wedde hij, dat de bijna lamme, 14 jaar oude schimmel E vel ine op hol zou slaan en wel als zij den volgenden dag geheel bepakt voor den uitmarsch bereden zou worden. Van der Poel (zoo heette de luitenant) wedde zelfs, dat het precies om kwart vóór elf zou geschieden en natuurlijk sloot hij links en rechts weddenschappen er op af, want niemand geloofde het. Bovendien stond hij toe, dat luitenant Prins, de beste hcerenrijder van het regiment, het paard zou berijden.

Sluiten