Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46

Boven komt het hoofd van Sampie uit het raam. „Wie is daar?" roept hij.

Zeer verheugd roept de vader: „Sampie... ben jij het? Hier ben ik, lieve jongen... je vader... je eigen vader..."

Maar Sam schuift het raam dicht met de woorden: „Ik heb geen vader, die om half één thuis komt!"

„Waarom wil je met dat meisje trouwen? Ze is doodarm."

„Ja vader, maar met haar zal ik gelukkig worden." „Nou... en als je dan gelukkig bent... wat heb je daar dan nóg aan?"

Meester: Ik wil een zin hebben zooals: „de man loopt op straat, de kat zit voor de kachel."

Moossie: „De visch vliegt over het dak."

Meester: „Wat??? De visch vliegt over het dak? Wat is dat voor onzin?"

Moossie: „Nou, meester, wat zal je zéggen van een mesjogge visch...?"

„Sam, neem nu maar dat meisje... je zit heelemaal aan den grond en ze is schatrijk..." „Maar ze is toch afschuwelijk leelijk." „Nou ja..."

„En dan... ze heeft maar een half oor aan den linkerkant..."

„Ach Sam, wat zal ik je zeggen... hoe méér d'r ontbreekt, hpe beter."

„Wat... nu wilt U naar Nice...? Nu, in het heetste van den zomer, terwijl het daar negentig graden in de schaduw is...?"

„Wie zegt U, dat ik in de schaduw ga loopen...?"

De Schnorrer (reizende bedelaar) Levin komt bij den schatrijken koopman Komkommer en zegt op gemaakttragischen toon:

„Mijnheer de Directeur, heb medelijden met mij en mijn arme vrouw en mijn arme onschuldige kinderen, heb medelijden met mijn arme, in eer en deugd grijs geworden moeder."

Hierop roept Komkommer de huisknecht en zegt met een stem vol tranen:

„Gooi hém er uit, Piet, hij breekt mijn hart."

Sluiten