Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16

DE BEGRENZING DER SYNODALE MACHT.

„Eene algemeene Synode als hoogste collegie van kerkelijk bestuur voor de Hervormde Kerk in al de provinciën „was vroeger onbekend en is eerst in het leven geroepen „door de organisatie van 1816, geenszins met eene onbemerkte macht, maar met een bepaald gezag in den beschreven „kring van bevoegdheid als hoogste collegie van bestuur „(art. 16 van het Algemeen Reglement van 1816)," en: „De geest des tijds is sedert het jaar 1816, ook wat het „kerkelijke betreft, voorwaar geenszins gewijzigd in dien „zin, dat men thans meer dan toen genegen zou zijn zich „neder te vleien onder een aangematigd gezag, en „als zoodanig zou toch gequalificeerd moeien worden alle gezag van het Kerkbestuur, „hetwelk niet mocht kunnen worden afgeleid uit de organisatie van 1816 en ook niet „uit de bekrachtiging van het nieuwe Alge„meen Reglement door de Regeering zou „kunnen volgen."

De juistheid van dezen gedachtengang van Synode en Regeering zal niemand kunnen betwisten. l) Vatten wij hem kort samen:

De koning was in 1816 onbevoegd om het Algemeen Reglement vast te stellen. Dit heeft echter verbindende kracht gekregen door de aanvaarding rebus ipsis et factis van de zijde der gemeenten. Die gemeenten hebben de Synode aanvaard zóó als hare bevoegdheid in 1816 is omschreven. Voor maatregelen, liggende buiten het terrein van de bevoegdheid der Synode, gelijk dit in 1816 is afgebakend, kan zij zich niet beroepen op de aanvaarding door de gemeenten.

Of m. a w.: het Alg. Reglement van 1816 heeft aan de gemeenten een deel van hare zelfstandigheid ontnomen

1) Wanneer men het uitgangspunt — de aanneming der synodale organisatie door de gemeenten — aanvaardt. Zie boven bl. 13.

Sluiten