Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SYNODE ERKENT BIJ HERHALING HARE ONBEVOEGDHEID.

19

gen in dier voege, dat de Classicale besturen bevoegd zouden zijn de approbatie van een beroep te weigeren, wanneer zij van oordeel waren, „dat de gemeente aan den beroepene een aanmerkelijk lager bedrag aan traktement heeft aangeboden dan zij vermag aan te bieden". De Commissie uit de Synode, die over dit voorstel rapport uitbracht, concludeerde tot verwerping, o. m. op dezen grond: „dat het Classicaal Bestuur in geen enkel opzicht eenig recht kan doen gelden en zou treden in de rechten der beheerscolleges" (Handel. Synode 1910 bl. 203). Niemand in de Synode die dit betwistte: de conclusie werd zonder hoofdelijke stemming aangenomen. De Synode erkende dus zelf dat vaststelling van het traktement een recht van de beheerscolleges was en dat de besturen daarop in geen enkel opzichteenig recht kunnen doen gelden. (Zie ook Handel. Syn. 1910 bl. 402 vlg.).

Zoo ook in 1911, toen er een voorstel was om een minimum-traktement van ƒ 1400.— te bepalen. De Commissie uit de Synode, welke hierover rapport uitbracht, verklaarde het ten vorigen jare uitgebrachte rapport betreffende het voorstel Heusden „in zijn geheel" over te nemen en concludeerde tot afwijzing (Handel. Syn. 1911 bl. 167). De Synode vereenigde zich hiermede zonder hoofdelijke stemming (Handel, bl. 170).

Zoo ook in 1916, toen de Synode te behandelen had een voorstel o, m. van twee predikanten om een wettelijk minimum-traktement van ƒ 1200.— vast te stellen. De voorstellers beoogden hiermede „in de eerste plaats de opneming van het beginsel der vaststelling van een minimum in de kerkelijke wet mogelijk te maken" (Handel. Syn. 1916 bl. 393). De Commissie uit de Synode, welke hierover rapport uitbracht, oordeelde dat het „ongeoorloofd" zou zijn voor reeds bestaande gemeenten zoodanig minimum vast te stellen (Handel. Syn. 1916 bl. 401). Bij de discussie

Sluiten