Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24

DE SYNODE „LAAT HET RECHT IN HET MIDDEN".

te beoordeelen of die aanslagen over de verschillende gemeenten naar billijkheid geschieden dan wel of er, naar verluidt, door den Raad van beheer, wordt gemarchandeerd; zonder dat zij iets hooren van de wijze waarop de bij den Raad ingekomen gelden worden gedistribueerd.

Moet men dan niet vragen, met welk recht dit geschiedt? Het antwoord op deze vraag is reeds door de Synode zelve gegeven. Het geschiedt zonder recht! Wanneer de Synode in haar recht geloofde, zou zij zich zeker eenige moeite hebben gegeven ook de gemeenten, voor wie hier zoo groote belangen op het spel staan, daarvan te overtuigen. Had zij daartoe niet gebruik kunnen maken van de hulp van haren rechtskundigen adviseur, een jurist van algemeen erkende bekwaamheid, die zeker een rechtsgrond zou hebben gevonden, als deze te vinden was? Of ook van de hulp van den directeur van den Raad van beheer Mr. Bartels?

Maar de Synode heeft niets van dit alles gedaan. In hare vergadering van 1920 schijnt maar één lid geweest te zijn, dat de noodzakelijkheid van een onderzoek naar den rechtsgrond gevoelde, nl. Prof. Slotemaker de Bruine, die opmerkte: „Een daad waarvoor geen rechtszekerheid is, zou een coup de désespoir kunnen zijn." Ook hij zag blijkbaar geen rechtsgrond. Toch is hij later met den stroom meegegaan en heeft zich blijkbaar om het recht niet verder bekommerd.

In dit verband moet ik Uw college wijzen op eene uitspraak van den secretaris der Synode, welke in vele opzichten merkwaardig is. Deze zeide bij de discussie over dit onderwerp in de Synode: „Dat men thans, door den „nood gedrongen, hier geen scherp onderzoek (lees: in ,,'t geheel geen onderzoek) naar den rechtsgrond heeft ingesteld, waaromtrent toch de opinies der bevoegden „blijven verschillen (vraag: waar is de „bevoegde" of „onbevoegde die een rechtsgrond heeft trachten aan te

Sluiten