Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ZELFSTANDIGHEID DER GEMEENTEN IN GEVAAR.

33

ik doorloopend betoogd heb, dat zijn bedrijf niet gegrond is op het recht. Hiermede is natuurlijk niets gezegd ten nadeele van den directeur of van de leden van dien Raad, die ik geen van allen persoonlijk ken, maar aan wier rechtschapenheid ik geen oogenblik twijfel. Ik hoop trouwens dat Gij, evenmin als ik, Uw kracht zult zoeken in een strijd tegen personen, want zuik misselijk bedrijf zou het meest doorslaande bewijs van zwakheid zijn. Gij zult met mij willen aannemen, dat de uitvoerders van het reglement op de predikantstraktementen mannen zijn die naar hun beste weten hunne moeilijke taak verrichten. Maar dit ontslaat mij niet van de verplichting telkens weer erop te wijzen, hoezeer het zich wreekt in de practijk, dat men bij den geheelen opzet van deze zaak welbewust het recht „in het midden gelaten heeft". Want dit verklaart naar mijne stellige overtuiging ook de geheimzinnigheid, waarmede de Raad van beheer te werk gaat. Wie steunt op het recht, schuwt niet het licht, maar zoekt het, opdat in zijne handelingen het recht openbaar worde.

Maar het gaat hier in de eerste plaats om de vraag, of van de zelfstandigheid der gemeenten nog iets zal overblijven. Indien de gemeenten zwichten voor den dwang der Synode, door aan de uitvoering van het reglement op de predikantstraktementen mede te werken, is het met die zelfstandigheid ten eenenmale gedaan. De gemeenten zijn dan in elk opzicht, wat bestuur en beheer betreft, aan handen en voeten gebonden, overgeleverd aan de Synode en aan den Raad van beheer. Het in juichtoon gestelde artikel van den tegenwoordigen directeur van den Raad van beheer, waaruit ik hierboven eenige zinsneden aanhaalde, laat hieromtrent niet den minsten twijfel over. Deze directeur erkent onomwonden dat aangestuurd wordt op centralisatie en op de oppermacht van den Raad van beheer („spoedig het machtigste lichaam in de Hervormde Kerk"!). Dat hetzelfde streven ook in den secretaris der

3

Sluiten