Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OORSPRONKELIJKE WERKEN

93

nemen der christelijke klassieken bij het latijn. Veel waardeering vond zijne Cultuurbeschouwende Inleiding tot Vondel.

KLOOS (Willem Johan Theodoor) werd geboren te Amsterdam in 1859, studeerde aan de H. B. S. aldaar en werd later doctorandus in de klassieke letteren. Hij woont thans in den Haag. Kloos is een der hoofdmannen geweest in den literairen strijd van '80. Hij was met Van Eeden, Willem Paap, Van der Goes en Albert Verwey in 1885 redacteur van „De Nieuwe Gids" en door zijn kritieken en poëzie leidde hij in de nieuwe richting. Hij met Albert Verwey waren het, die onder pseudoniem Guido de Julia uitgaven en toen de kritiekers er in liepen (lang niet alle) triomfeerend schreven over De Onbevoegdheid der Hollandsche literaire Kritiek. Met de eenheid der Nieuwe-Gidsers was het spoedig gedaan. Verscheidenheid van inzichten en bedoelingen, persoonlijke eerzucht en verandering van omstandigheden maakten de gelederen los. Naast De Nieuwe Gids verscheen het Tweemaandelijksch Tijdschrift, dat straks veranderde in De XXe Eeuw om naast zich te vinden De Beweging van Verwey, opgeheven in 1919 wegens gebrek aan belangstelling. Kloos bleef intusschen trouw aan De Nieuwe Gids en nog altijd is hij de hoofdredacteur en schrijft zijn kritieken en herhaalt de beginselen der tachtigers, alsof er in dat kwart eeuw niets gebeurd is. Kloos was een groot dichter. Daar zijn verzen van hem, die altijd zullen blijven leven voor het nageslacht, sonnetten, welke men niet zal ophouden te bewonderen. Maar de bundels Verzen zijn zeer ongelijk ïn waarde. De eerste bevat de beste, de mooiste maar ook tevens de godlasterlijke cyclus „Van Kind en God". In zijn overige bundels komen, hoe langer hoe meer sporadisch, nog goede gedichten voor, maar wat hij sinds de laatste jaren dicht over de Al-ziel ligt beneden alle peil, wat vorm en gedachte betreft.

De belangrijkste kritieken werden verzameld in Veertien Jaar Literatuur-geschiedenis 2 dln. (van 1880-1894). De vier deelen Nieuwere Literatuur-geschiedenis (van 1895—1905) beteekenen veel minder; en het is of Kloos zelf een weinig begint te twijfelen aan de beginselen, die hij vroeger met zoo groote stelligheid had verdedigd.

Sluiten