Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21

kost en inwoning een bepaald bedrag per dag toe te kennen.

Het betreft hier immers twee reeksen van behandelingen voor dezelfde kwaal, die met voortdurende observatie van de patiënte gepaard moeten zijn gegaan en die dus gevoegelijk op een zeker gemiddelde per dag kunnen worden getaxeerd.

Bij de vaststelling hiervan dient gelet te worden op wat gedaagde in het vorige jaar voor de behandelingen heeft betaald en op de maatschappelijke positie van arbeider van den gedaagde.

Van belang is ook een vonnis der Rechtbank te 's-Gravenhage dd. 24 Juni 1920, N. J. 1920 bid. 907. Hierin kunnen wij het volgende lezen: Nu gelijk vaststaat, de eischer, arts, den gedaagde in het ziekenhuis kosteloos behandelde, brachten goede trouw en billijkheid in de gegeven omstandigheden mede dat gedaagde mocht vertrouwen dat ook de behandeling in eischers woonhuis om niet zoude geschieden, tenzij eenige uitlating of eenig feit mocht zijn voorgevallen, waaruit de gedaagde kon, althans behoorde, af te leiden dat eischer hem die behandeling in rekening zoude brengen. Den eischer wordt derhalve ambtshalve van zulk een uitlating of zulk een feit bewijs door getuigen opgelegd.

Wat is eigenlijk de juridische beteekenis van de overeenkomst die de patiënt, vaak stilzwijgend, met zijn arts aangaat en waaruit zijne verplichting tot betaling voortvloeit?

Het kantongerecht te Rotterdam zegt daaromtrent, dd. 5 December 1919, N. J. 1920 bid. 1010, dat deze overeenkomst beschouwd moet worden als een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten. (Zie Burgerlijk Wetboek art. 1637).

Zulk een overeenkomst wordt geregeerd door de aan dezelve eigene bepalingen en bedongen voorwaarden en bij gebreke van deze door het gebruik.

De geneesheer heeft daarom recht op een billijk loon overeenkomstig het gebruik te berekenen, indien hij datgene heeft gedaan wat hij naar redelijk inzicht volgens de regelen der kunst behoorde te doen.

Sluiten