Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 272.

Het zelfde vonnis zegt dat een geneesheer die zich contractueel of door het aannemen van zijne aanstelling tot waarneming der armenpraktijk, verbonden heeft, zijne verplichting schendt, door bijstand te weigeren aan een zieke onder de armen wien die praktijk ten goede moet komen.

Dit artikel is voor ons onderwerp van belang in verband met het beroepsgeheim van den geneeskundige. Het luidt nl. als volgt:

Hij die opzettelijk eenig geheim, hetwelk hij uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt of beroep verplicht is te bewaren, bekend maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zes honderd gulden.

Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klachte.

Men lette er op dat niet wordt gesproken van geheimen die iemand in zijn ambt of zijn beroep zijn toevertrouwd, waarop de eed of de belofte betrekking heeft die de arts aflegt, doch van geheimen die hij uit hoofde van zijn ambt of beroep moet bewaren, waaronder ook kan vallen het geheim waarmede hij op andere wijze dan door toevertrouwen is bekend geraakt.

Men verwarre dezen plicht tot zwijgen niet met de bevoegdheid tot zwijgen die bestaat voor hen die geroepen zijn als arts om getuigenis af te leggen in rechten. Die bevoegdheid berust nl. op het vertrouwen dat voor de juiste uitoefening van het beroep des geneeskundigen noodzakelijk is, en zij heeft daarom ook ruimere grenzen; maar zij heeft niets te maken met den in dit artikel bedoelden plicht tot zwijgen, noch met den ambtseed, die zwijgen gebiedt. Die zwijgen mag, mag ook spreken, maar die zwijgen moet, mag niet spreken.

Art. 272 noopt hem tot zwijgen, evenals de ambtseed. De algemeene wettelijke verplichting tot getuigenisafleggen dwingt hem tot spreken. Het speciale voorschrift van art. 272 praevaleert evenwel boven het algemeene. De ambtseed daarentegen ontheft hem van den plicht tot getuigen niet.

Sluiten