Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3i

Toch kan hij tot spreken nimmer worden gedwongen. Zelfs al zoude wet of eed hem dit spreken niet verbieden, of hem zelfs daartoe nopen, immers kan hij zich altijd nog op zijn verschooningsrecht beroepen, indien daarvoor termen zijn. Het eedsformulier van den arts spreekt van hetgeen in de uitoefening van zijn beroep als geheim hem is toevertrouwd of te zijner kennis is gekomen. Wat als geheim is toevertrouwd is hetgeen onder geheimhouding ter kennis is gebracht; in hoeverre dat geheim belangrijk is doet niet ter zake. De medicus heeft het te bewaren.

Onder geheimhouding mededeelen is mededeelen na vooraf opgelegde geheimhouding. Een later verzoek tot geheimhouding kan niet afdoen. Wat valt onder hetgeen als geheim overigens ter kennis van den medicus is gekomen, is moeielijk te omschrijven. Er is onder te verstaan datgene wat men verwachten kan dat de patiënt niet dan onder geheimhouding zoude hebben medegedeeld, indien hij er zelf mededeeling van zou hebben gedaan. Dit alles geldt slechts hetgeen de medicus te weten gekomen is bij de behandeling van ziektegevallen waartoe bij geroepen is1). Resumeerende kunnen wij dus zeggen: De arts is evenals ieder burger verplicht, indien de justitie dit verlangt, als getuige te verschijnen voor de rechtbank of den rechter-commissaris, zoo in civiele als in strafzaken, en naar waarheid alles mede te deelen wat hem omtrent de te berechten zaak bekend is. Betreft het evenwel omstandigheden of feiten waarvan hij uit hoofde van zijn beroep het geheim moet bewaren dan is hij van dien plicht tot getuigen ontslagen krachtens art. 272 W. v. S., dat hem verbiedt te spreken, welk artikel hoogere gelding heeft dan het voorschrift dat tot getuigen noopt. Betreft het feiten en omstandigheden die hem als geheim zijn toevertrouwd, dan gaat de getuigenisplicht vóór den ambtseed, die geheimhouding oplegt. In alle gevallen evenwel kan hij zich, indien het vragen betreft, waarvan de beantwoording volgens zijne overtuiging strijdig zoude zijn met de vertrouwenspositie

*) Noyon, Het Wetboek van Strafrecht.

Sluiten