Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36

aan de Ned. Mij. t. b. d. Geneeskunst. Ik behoef hieraan niet veel toe te voegen. Alleen nog dit:

De instructie wordt in den regel door B. en W. vastgesteld, binnen de grenzen aangegeven door de verordening. Wijziging eener instructie is derhalve niet moeielijk en kan spoedig worden aangebracht. Den armenarts-staat hiertegen niets te doen. Hij kan zich tegen die wijzigingen hoegenaamd niet verzetten, mits zij in overeenstemming zijn met de verordening. Wel behoeven deze wijzigingen de goedkeuring van Gedeputeerde Staten ingevolge artt. 33 en 34 der Armenwet (zie boven), waarin wordt bepaald dat de instructie voor den armenarts, daaronder begrepen de regeling van de bezoldiging, van de schorsing en van het ontslag, binnen tweemaal 24 uren na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten moeten worden gezonden en in afschrift aan het staatstoezicht op de volksgezondheid. Voorts dat dit laatste bezwaren kan inbrengen bij Gedeputeerde Staten, die daarop een beslissing moeten geven, waarvan beroep is bij de kroon, voor het staatstoezicht, den gemeenteraad en B. en W. De geneesheer die meent verongelijkt te zijn door niet-nakoming van of wijziging der voorwaarden waarop hij is aangesteld, kan zijne bezwaren dus ten toets brengen bij Gedeputeerde Staten. Beroep bij den rechter is m.i. uitgesloten, aangezien de armenwet in een regeling dezer materie heeft voorzien, waarbij de rechter geen rol speelt. Een model eener instructie, als door de Ned. Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst is aangegeven, vindt men in het „Artsenboekje" dier Maatschappij weergegeven.

BEGRAFENISWET.

Art. 4. Geene begraving geschiedt zonder schriftelijk verlof van den ambtenaar van den burgerlijken stand.

Bij het vragen van dit verlof wordt overgelegd de schriftelijke verklaring van den geneeskundige die den dood heeft geconstateerd, bedoeld in de wet regelende de uitoefening der geneeskunst. Ontbreekt zoodanige verklaring, dan wordt

Sluiten